zondag 29 mei 2016

28 mei, een zaterdag

De wekker roept om half acht. Ik trek haastig mijn looptenue aan en spoed me naar beneden. In het halletje haal ik de krant uit de brievenbus. Dan begint het gevecht tussen mijn nieuwsgierigheid naar de krant en het op tijd klaarmaken van mijn ontbijt. Vandaag ben ik sterk, ik dek de tafel, eet mijn twee boterhammen en zet me dan met een kopje thee aan de krant. Ja, Kruijswijk heeft een lelijke val gemaakt maar hij heeft het aan zichzelf te wijten. ‘Ik heb het zelf verkloot’, zo lees ik. Hij wilde in de afdaling nog even wat eten. Tja, dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden, denk ik. Straks tijdens de loop zal zijn val uitgebreid  gespreksonderwerp zijn, zo denk ik. En inderdaad, voortdurend komt de dramatische val van de roze truidrager ter sprake. Ik ben blij dat ik al even de toedracht in de krant heb kunnen lezen, want de meeste loopmaatjes zijn zo van het bed al dan niet met een boterham in de auto naar het verzamelpunt gereden. Ik kan dat niet. Het huis verlaten zonder eerst de krant in te zien, dat voelt alsof je je tanden niet hebt gepoetst. Mission impossible voor mij.
s Middags viert de buurtvereniging haar 25-jarig bestaan. Uiteraard tijdens een meeting op ‘het veld’ zoals ons Burgemeester Brandtplein in de wandelgangen heet. Het staat al weken op de kalender, deze reünie willen we niet missen. Ik word begroet door Norie. In geen jaren meer gezien. De jonge oma van nu oogt niets veranderd. En dan Heidi, aan wie we ooit ons huis aan de Bosweg hebben verkocht. Inmiddels is ze een aantal levens verder, maar nog steeds dezelfde gloedvolle verschijning. Ze begroet me met drie zoenen en we zijn meteen in een geanimeerd gesprek. Later zal Marian me precies vertellen wie hoeveel kleinkinderen heeft en andere inns en outs. Ik deel folders van de Bedriegertjesloop uit aan sportieve buurtgenoten en hoor een aantal redelijke en ook verzonnen smoezen. Dan speecht de voorzitster, en ook de eerste voorzitster ooit, Mieke. Leuk dat ze haar uitgenodigd hebben! Vol élan vertelt ze over de eerste tien jaren. Ook Heidi krijgt de microfoon, ze doet in élan niet onder voor Mieke! De wethouder houdt een gelegenheidspraatje en dan wordt het nieuwe logo onthuld van de hand van buurvrouw Barbara. Een leuk ontwerp! Terwijl allerwege met een glaasje in de hand de lof wordt uitgesproken over dit ontwerp begint de speciale gast te spreken, schrijver en presentator John Jansen van Galen, geboren en opgegroeid aan de Bosweg. Hij vertelt dat de buurt in de oorlog het plein had verkaveld in illegale maar wel gedoogde volkstuintjes en dat er toen al een bloeiende buurtvereniging bestond. Hoezo 25 jarig jubileum??? De hele buurt ligt aan zijn voeten. Hij schetst vanuit zijn eigen jeugdjaren een vergeten historie van deze buurt. Terwijl alles verzuild was – drie muziekverenigingen, drie voetbalverenigingen enz. – was de buurtvereniging van iedereen! Er was zelfs een buurttoneelgroep die de sterren van de hemel speelde! Maar toen die voor een van de voetbalclubs zou spelen  stak de verzuiling daar mooi wel een stokje voor!! Daarna eten en drinken, handje geven hier, praatje maken daar en foto’s bekijken van de huizen zoals die er 30 jaar geleden uitzagen. Dit alles onder een stralende zon terwijl het land elders geteisterd wordt door donder en bliksem.
Thuis zegt Marian: dat logo met BBB is dat niet van Belcampo? Die bedacht ooit in een campagne ter bevordering van borstvoeding een vereniging BBB : Borsten Beter Bloot !! Barbara zal er bij haar ontwerp niet aan gedacht hebben.
Voldaan ga ik later even pizza’s halen, want wie heeft er na zo’n middag nog zin om eten te koken? Tijdens het eten hoor ik een Appje binnenkomen. Het is van Judith, ze vraagt of ze morgenmiddag met de kinderen langs kunnen komen. Ja, leuk !
Wat ik nu maar zeggen wil: de pensioenen mogen wat in waarde gedaald zijn, het leven van een pensionado is toch echt zo slecht nog niet!


donderdag 12 mei 2016


Voor één dag …

Anton Logeman, wethouder van Rozendaal en kenner van het gebied zal ons begeleiden bij een wandeling over de Koningsberg en omgeving.  Ja, meer weten over mijn onmiddellijke omgeving en over de parcoursen die we bijna wekelijks aandoen, dat wil ik wel. Het bestuur, nog jong, fris en daadkrachtig, heeft het gecombineerd met evaluatie van de trailloop en met een voorbereiding op de Bedriegertjesloop, een soort koppelverkoop dus. Bovendien heeft het ook nog een hapje en een drankje in de aanbieding, wat wil een mens nog meer? Daarvoor ruil je toch graag een avond de loopschoenen om voor een paar wandelschoenen, toch? Zeker de wat oudere lopers die moeite beginnen te krijgen met het maandagavondtempo. Niet dat ik me tot die laatste groep reken, natuurlijk niet, verre van dat,  maar toch strik ik voor de gelegenheid graag mijn wandelschoenen.
En ik moet zeggen, ik ben niet teleurgesteld. De wethouder weet veel van het gebied. Nooit geweten dat het drassige landje aan de voet van de Koningsberg gevoed wordt door het water dat uit de ‘berg’ stroomt. Of het een echte spreng ik laat ik in het midden, want dan zou die uitgegraven geweest moeten zijn. Ik heb altijd gedacht dat al het water van de sprengen bij het kasteel afkomstig waren. Imposant is natuurlijk het nieuw door het Gelders Landschap opgeworpen uitkijkpunt. Een ware piramide met prachtige zichtlanen. Als er straks ook nog een replica van de kasteelkoepel op wordt geplaatst dan is het een nieuwe parel in Rozendaals Arcadië !  Hoe de omwonenden het vinden, vraag ik weloverwogen, bijna neutraal belangstellend. Bas heeft me nl te verstaan gegeven dat ik me gedeisd dien te houden. De wethouder zegt dat sommige mensen natuurlijk wel commentaar hebben, vooral in het begin als er veel gekapt wordt. Maar. zegt hij, ik heb geleerd dat de meeste mensen het toch wel mooi vinden als het eenmaal klaar is. Kijk, hier openbaart zich de bestuurder, denk ik: kritiek voorzien, begrijpen en weten dat het allemaal wel goed komt. Maar ik ben het advies van Bas indachtig. Aan mij zal het niet liggen vanavond. Een weinig verderop leer ik over een zoel en leer ik te zien welke bomen hier al stonden toen het nog grotendeels onbegroeid was. Of we weten hoe de zandweg heet, zo vraagt de wethouder. Nu is het onze beurt om hem te verbazen. Wis en waarachtig weten Bedriegertjeslopers dat:  dit is de Terletse Zandweg en niks anders. Over de Tonweg kan de wethouder ons echter wel uitleg geven.
Later die avond tijdens een korte evaluatie van de trailloop maakt Tilly ons deelachtig van een wat haar betreft belangrijk leerpunt: als we nog eens een trail organiseren – en dat doen we, geen twijfel mogelijk – dan is het wel handig als we allemaal de route kennen. Waarvan akte, Tilly!
Maar wat me het meest is bijgebleven komt toch van de wethouder: de gierzwaluwen. Ware duivelskunstenaars zijn het. Op internet leer ik later dat gierzwaluwen helemaal geen zwaluwensoort zijn, ze hebben  meer van kolibries. Dat vertelde wethouder niet, maar wel dat ze hun hele leven in de lucht vertoeven. Alleen broeden doen ze op een nest, maar verder: eten, drinken, slapen ja zelfs paren doen ze in de lucht! Dat laatste telkenjare op 10 mei, wethouder heeft het zelf gezien! Ze maken dan van grote hoogte samen een vrije val, zegt hij. Wou, al zwevend naar beneden een orgasme beleven tijdens een lange glijvlucht … Ik kijk eens om me heen want ik kan een beetje gedachten lezen. En ik lees: was ik maar voor één dag een gierzwaluw, maar dan wel op 10 mei!


zaterdag 23 april 2016


Een Africaansche Moor op Rozendaal

Ik loop in het museum langs het koopmanshuis waar in een presentatie aandacht wordt besteed aan het slavernijverleden van ons land. Ik kan hier niet meer passeren zonder aan Quaco te denken. O zeker, de dialoog die er te volgen is tussen de bezorgde ouders die op het punt staan hun zoon naar een plantage te sturen intrigeert me. Maar enkele maanden terug heb ik het stripverhaal Quaco, Leven in Slavernij van Eric Heuvel en Ineke Mok gelezen. Het levensechte, geheel gedocumenteerde verhaal over een jongeman, Quaco, die als kind in de binnenlanden van West Afrika toen hij aan het spelen was met zijn twee broertjes, werd gestolen. Dat moet ongeveer in 1770 zijn gebeurd. Hij wordt een eind in een zak meegevoerd, komt in bezit van een koning of chief, en wordt verkocht aan een kapitein van een slavenschip. Geen zeldzaamheid in die tijd. Bij duizenden werden jonge kinderen weggevoerd. Ze waren geliefd omdat ze sneller dan de volwassen slaven wenden aan een nieuwe omgeving. Quaco overleeft de overtocht. Hij komt op een plantage en wordt later lijfknecht van legerkapitein Stedman die jaagt op gevluchte marrons, zijn lotgenoten dus eigenlijk. Na enkele jaren neemt Stedman hem mee naar ons land en komt hij terecht in het Gelderse Rozendaal bij de familie Torck op kasteel Rosendael.  Jawel, op een steenworp van het openluchtmuseum! Ik had er geen idee van toen wij rondleiders in september jongstleden tijdens ons jaarlijks uitje ronddwaalden door dat kasteel en de bijbehorende tuinen. Quaco, het uit Afrika geroofde kind als zwarte bediende op het kasteel in Rozendaal! De kleine fonteintjes - De Bedriegertjes - en de schelpengalerij bestonden toen al. Quaco heeft er gewerkt. Hij is zelfs in de kerk van Rozendaal gedoopt! Bij die gelegenheid kreeg hij de naam Willem Stedman! Het doopboek vermeldt: op 13 Novb is op belijdenis gedoopt een Afrikaansche moor in dienst alhier van ..etc.   Een ‘Afrikaansche moor’ op Rozendaal! Het moet een gebeurtenis van de eerste orde zijn geweest, van de hors categorie om in wielertermen te spreken.   Hadden we het tijdens ons rondleidersuitje geweten dan was Willem, alias Quaco beslist onderwerp van gesprek geweest!
Maar de zwerftocht van onze Quaco / Willem gaat nog verder. Op het kasteel krijgt hij zijn vrijbrief en in 1792 vertrekt hij blijkens de archieven van de VOC naar Batavia. Enkele jaren daarna verdwijnt hij uit ons beeld. 
Dit alles, en nog veel meer, voltrekt zich tussen 1770 en 1795. In 25 jaar tijd word je gekaapt in Afrika,  weggevoerd naar Zuid Amerika waar je je pubertijd op een plantage beleeft (of overslaat) om via kastelen in Nederland, als christen gedoopt als matroos op een VOC-schip op Java terecht te komen.
Het kan verkeren! En denk niet dat Quaco de eerste en enige geroofde Afrikaan was die via deze route in het 18e eeuwse Nederland terecht kwam. Er moeten er enkele honderden zijn geweest.

Maar of hun aanwezigheid aanleiding tot ophef heeft gegeven, tot een Zwarte Piet discussie avant la lettre , ik vraag het me af.  Een ding weet ik wel:  telkens als ik op weg naar het museum langs het kasteel fiets of als gids langs het koopmanshuis loop is deze ‘Afrikaansche moor’ in mijn gedachten. 
Echter niet als ik op zaterdagochtenden met mijn loopvrienden door de bossen van datzelfde kasteel struin. Dan is er iets anders dat aandacht vraagt: het vermijden van verborgen boomwortels ...  

dinsdag 29 maart 2016

Wie is Amnesty?

Onlangs heb ik gecollecteerd voor Amnesty International. Sommige mensen vinden dat een beetje vreemd. Maar Amnesty is een organisatie die er toe doet in de wereld als het gaat om opkomen voor recht en gerechtigheid. Ik vind dat van groot belang. Middels de schrijfacties van Amnesty en de jaarlijkse straatcollecte kan ik daar een klein steentje aan bijdragen, en dat doe ik dus. Eén keer per maand voeren we een schrijfactie en één keer jaarlijks collecteren we. Eén keer jaarlijks slechts, maar dan doen we het wel goed.
Dit jaar bestreken we met zevenendertig  collectanten een groot deel van Velp en een deel van Rozendaal. Ik ging op pad door ‘mijn’ straten die ik al jarenlang krijg toebedeeld. Dat heeft zo zijn voordelen: ik ken de mijnen en de mijnen kenen mij, d.w.z. ze kennen mijn gezicht en ik hun geefgedrag. Tenminste een beetje, want meestal worden de 50 en 20 eurocentmuntjes tussen duim en wijsvinger discreet afgedekt door de drie overblijvende vingers. De twee euromunt mag meestal wel gezien worden en het ineengevouwen papiergeld heeft natuurlijk zijn kenmerkende kleur. De ‘gave’ is wat mij betreft nooit onderwerp van gesprek, alle beetjes helpen voor een club die het uitsluitend moet hebben van vrijwillige bijdragen. Vaak verontschuldigen mensen zich dat ze geen kleingeld in huis hebben. Ik ken dat ongemakkelijke gevoel maar al te goed. Al die straatcollectes doneer je niet met groot geld maar het voelt toch ongemakkelijk een collectant af te doen met wat muntjes.
Voorgaande jaren collecteerden we in januari dan wel februari. Vaak liep ik door sneeuw en kou, en dat had geheel volgens het adagium van onze grote voetbalheld ook zijn voordelen. Mensen waardeerden het als je in dikke sjaal gehuld met verkleumde vingers de bel beroerde. (Wat zijn er trouwens veel huisbellen die slecht functioneren, maar dit terzijde). Dit jaar collecteerden we echter in maart. Het was veel langer licht, mensen konden zien wie er aan de deur stond en de deuren gingen wat gemakkelijker open. Maar ik had ook de stellige indruk dat er veel meer mensen uithuizig waren. Of eten mensen later als het langer licht is en moet ik dan om acht uur ’s avonds aanbellen?
Er was nog een verandering dit jaar. Altijd had ik in mijn straten één weigeraar. Uiteraard sla ik die nooit over, een beetje pesterig bel ik elk jaar weer onbevangen aan, het leven is ook een spel niet waar? Maar dit jaar had ik de eerste dag al drie weigeraars! De reden is mij onbekend.
Het scheelt als je jarenlang in dezelfde straten collecteert, en zeker als dat ook nog eens in je eigen buurt is. Een bekend gezicht dat helpt het geefgedrag een beetje. Een nieuwkomer in de buurt die in het verleden weigerde, maar me nu herkent als buurtbewoner, zegt, naar woorden zoekend, een beetje moeizaam: ik heb helemaal geen kleingeld. Maar hij weet dan toch nog wat te vinden.
Een ander zegt: meneer Beltman, u heeft hier vroeger toch gewoond?  Ze vertelt dat ze gaan verbouwen en vraagt: wilt u het nog een keer zien en nodigt me binnen. Met veel belangstelling bekijk ik nog eens het huis waaruit we dertig jaar geleden verhuisden! Zo zie je maar: collecteren is allerminst saai.
Achter een raam ontwaar ik een loopmaatje. Hij kijkt op het horen van de bel door het raam. We zien elkaar. Hij opent de deur en zegt : die collectant kan ik natuurlijk niet weigeren! Ik zeg: ja joh, vluchten kan niet meer!
Zoals gewoonlijk komt het meeste papieren geld van mannen, wat dat betreft is er tussen februari en maart weinig verschil. En ook in maart blijken adolescenten zich te verontschuldigen: mijn ouders zijn niet thuis. En ik maar denken dat de meeste adolescenten een baantje hebben als vakkenvuller. Dat vak vult blijkbaar slechts met mate...

Onnavolgbaar was een oudere man. Wie is Amnesty?,  mompelde hij terwijl hij een pas terug deed. Amnesty International meneer, dat gaat om de mensenrechten.  Mensenrechten?, onderwijl zoekend in zijn portemonnee, die heeft toch iedereen?  Ja maar er is nog een hoop werk te doen, zeg ik. Hij geeft geen commentaar, haalt een tien eurobiljet uit zijn portemonnee, kijkt me aan, en stopt die zonder een woord in de bus. Dan sluit hij de deur, bedaard zoals een heer betaamt. 

donderdag 25 februari 2016



In de isoleer leer je nog eens wat

Een vervelend griepje dit jaar, houdt je zo maar een week bezig, of juist niet bezig, het is maar hoe je het noemen wilt. Goed, ik dacht dus mijn portie te hebben gehad. Mooi niet dus! Afgelopen weekend weer doorgebracht in de isoleer, zo noem ik de tienerkamer op zolder die voor dit soort gelegenheden altijd nog paraat wordt gehouden. Tijd genoeg dus om de krant aandachtig door te nemen. En wat lees ik…
Hoera! De ‘verspulling’ heeft haar hoogtepunt bereikt! Het klopt wat ik al zo vaak dacht: we stikken met zijn allen in de spullen. We weten niet waar we de opbergdozen moeten laten. In de kast, op de kast, onder de kast, in de gang.  We struikelen erover, op de overloop, onder het bed, op zolder, overal dozen en hoesjes en systemen van IKEA en Action om de hebbedingen en prullaria te bewaren. Maar nu heeft de spullenpiek haar hoogtepunt bereikt.  Dat verzin ik niet, vanwege de koorts of zo, nee dat heeft een Amerikaanse trendwatcher ontdekt! Hij heeft er een boek over geschreven, ‘Stuffocation’ getiteld. Dat betekent zoiets als stikken in de spullen.  Oké, dat hadden u en ik dus al geruime tijd in de gaten. Maar nu is er een boek over geschreven! En ook een van de bazen van IKEA heeft erover gesproken. De consument begint er genoeg van te krijgen! En niet alleen van alle overbodige spullen, nee , meneer IKEA trekt een vergelijk met de oliepiek, hij vindt dat we ook een roodvleespiek, een suikerpiek en een woninginrichtingspiek hebben gehad.  En dan vergeet hij volgens mij nog de plastic tasjespiek!  

Zou het dan toch waar zijn? Toegegeven, als homo sapiens doen we er lang over, maar misschien, ooit doen we onze naam dan toch nog eens eer aan. Onze kleinkinderen zullen er blij om zijn! 

dinsdag 16 februari 2016


Muffin uit de hemel


Geen koorts, wel koorts, geen griep, wel griep, beetje griep of toch niet? Ik ben het zat, dat duurt nu al ruim een week. Maar vanmorgen voel ik me voor het eerst weer als vanouds. Als kip dus. Hoe ik aan die uitdrukking kom weet ik niet, maar als ik me ‘als kip voel’, dan voel ik me gewoon lekker. En laat het nou nog prachtig weer zijn ook!! Ik aarzel geen moment!  Al meer dan een week heb ik niet gelopen. Alleen hardlopers weten dat lopen in de mond van een hardloper, hardlopen betekent. Ruim een week gedwongen rust! Regelmatige hardlopers weten dat dat afzien is en hunkeren, vooral dat laatste. Nu doet zich dus de kans voor en natuurlijk grijp ik die. Naar buiten! Nog wel niet hardlopend maar wel op de fiets!
Een uurtje later – want eerst moest nog mijn haar gekamd, mijn kin geschoren, een sudocu gemaakt, een kopje koffie gedronken – zit ik op de fiets. Het is nog koud maar op de dijk achter De Beemd voelt de zon heerlijk op de huid. Weggedoken in mijn sjaal, zonnebril op,  fiets ik onder de A12 door langs de zuivelboerderij richting Westervoorstedijk. Even later kies ik het fietspad door Het Broek. Wat begint Arnhem toch een echte fietsstad te worden. Zonder één stoplicht zoef ik over dat fietspad linea recta tot naar de Berekuil, de historische fietsrotonde bij de John Frostbrug  die rechtstreeks toegang geeft tot het stadscentrum. In no time ben ik via de Eusebiusbinnensingel tot bij V&D waar je – toegegeven – wel even ogen voor en achter moet hebben.  Ik heb nog net tijd om te denken: V&D sic transit gloria mundi! Maar dan sta ik al bij de gratis -  jawel: gratis! – fietsenstalling bij de Koepelkerk. En zo maak ik even later vol verwachting mijn opwachting bij Stan&CO , Arnhems nieuwste meet and greet point.
 De begroeting is verpletterend persoonlijk, alsof ik de VIP van de ochtend ben! Maar al ras merk ik dat het personeel de deur steeds in de gaten houdt en voor iedereen deze égards in huis heeft. Weer met beide voetjes op de grond bestudeer ik de kaart. Ik neem cappuccino met een muffin berry berry lady/chocolic. Dat lijkt me wel iets. Temeer daar de kaart vermeldt dat Stan&Kirsten al het zoet en lekkers maken bij patisserie Hemels in de Kerkstraat.
Mijn geduld wordt erg op de proef gesteld, maar allé de vasten is net begonnen dus even oefenen Gerard, zo houd ik me voor. Hoe langer ik wacht hoe meer ik last krijg van het volume van de muziek. Ik vind het takkenlawaaierig hier! Maar dan komt er iemand mijn bestelling opnemen. Ik voel de muffin berry berry al op mijn tong! Maar het verlangen moet nog even rijpen, zo blijkt. De chocolic is al driemaal gesmolten op mijn lip als ik eindelijk wordt bediend. Het moet gezegd, de muffin is heerlijk. De chocolic echter zo klein dat het nauwelijks lic genoemd mag worden.  
Ik maak een foto en stuur die naar Hemels. Onmiddellijk antwoord van Kirsten: ‘die muffin is dus niet door ons gemaakt.’ Ik ben helemaal van de wap: de kaart vermeldt dat al het lekkers etc, bij Hemels in de Kerkstraat wordt gemaakt. Aldus app ik terug. Ja, schrijft Kirsten, dat weet ik maar wij leveren de muffins dus niet. 
Ik kan het niet meer volgen, maar ja, er is tegenwoordig wel meer dat ik niet kan volgen. Als ik ga betalen en de bediening me vraagt of het heeft gesmaakt, vraag ik belangstellend waar die muffin vandaan komt. ‘Dat komt van patisserie Hemels in de Kerkstraat, meneer. Kijk maar dat staat op de kaart’. Ja , dat heb ik gelezen. Maar levert die patisserie ook de muffins? Ja meneer, die levert alles! Vond u het lekker? Ja, ik vond het lekker.
Nog wat in de war verlaat ik het pand. Wie valt er nu nog te vertrouwen in deze wereld? Afkomstig uit een degelijk rooms nest weet ik uiteraard dat er heel wat is gediscussieerd over goed en kwaad, hemel en hel. Als geen ander heb ik er weet van dat dingen heerlijk kunnen zijn ook al zijn ze niet des hemels. Niet voor niets is tussen hemel en hel het vagevuur geschoven. Die muffins zo besluit ik – inmiddels weer op mijn fiets -  zullen wel des vagevuurs zijn. Voortaan ga ik voor echte hemelse  muffins  naar HEMELS in de Kerkstraat.


zaterdag 30 januari 2016


Lief die oudjes 

Ik loop over het Zaanse Plein. Bij de bakker snuif ik weer even die heerlijke lucht van de verse bakker op. Ook al blijf ik brood bakken en een smederij een vreemde combinatie vinden, het ruikt er toch altijd heerlijk. Een smederij zegt u? Jazeker, de op takkenbossen gestookte oven van onze bakker staat in de vroegere smederij Van Klinkenberg uit Koog aan de Zaan. De ventilatieluiken om de rook te laten ontsnappen zijn nog aanwezig. Het is hier in het museum vastgeplakt aan een vroeger woonhuis /boekenwinkel uit Zaandam. Het museum heeft dus iets heel nieuws gecreëerd, maar het heeft wel een vreselijk authentieke uitstraling. Zo authentiek dat ik er bijna altijd mensen aan kwijtraak als ik er met een groep langsloop.
Dit keer loop ik dat gevaar niet want ik heb geen groep bij me. Ik zet me op een bankje en even later krijg ik gezelschap van een moeder met dochter.
Dochterlief vraagt: ‘Waarom koop je een krentenbol mamma, dat deed oma vorige week in de dierentuin ook.’ Ik moet op het puntje van mijn tong bijten om niet te zeggen: omdat we Nederlanders zijn, door de week eten we stamppot en als we uitgaan een krentenbol. 
Ik had ook kunnen zeggen: omdat jullie niet uit Arnhem komen, in Arnhem eten we Arnhemse meisjes. Maar ik denk dat in dat geval noch dochterlief noch mama er iets van had gesnapt. Arnhemse meisjes, die eet je toch niet, daar ga je mee naar de Korenmarkt, toch?
Later bedenk ik dat voor die Arnhemse meisjes in vroeger dagen echt geen bezoek aan de  Korenmarkt was weggelegd. Ze moesten op zondagochtend naar de kerk en daarna uitrusten want op zondagavond begon het alweer: dan werd de was alvast in de week gezet. De eerste fase van het arbeidsintensieve proces dat zich elke week herhaalde:
Weken - broeien – schrobben – loogbad - bleken – spoelen – persen- plakken (droog toeslaan) – drogen – strijken – vouwen – opbergen. En na de witte ook nog de bonte was!
Ook al werkten ze niet in een van de vele wasserijen langs de sprengen en beken ten noorden van Arnhem, het was toch een heel gebeuren. Ik zie het tafereel voor me op de landjes achter de huisjes uit Tilburg of op die achter de huizen op de Arnhemse Geitenkamp. Bejaarde mensen daar spreken meestal nog over hun ‘landje’ in plaats van over tuin.
Maar goed, dit uitgebreide wasgebeuren is sinds de intrede van wasmachine en droogtrommel, geschiedenis geworden. Het had van mij opgenomen mogen zijn in de canon van de Nederlandse geschiedenis. een canonvenster dus. Wat hebben die vrouwen gewerkt! De huidige Arnhemse meisjes hoeven  ‘alleen nog maar’ wit en bont te sorteren, op te hangen en af te halen, te strijken, op te vouwen en weg te werken. Oké, het komt wekelijks terug, maar in vergelijking met vroeger niet om over te schrijven. Bovendien: menige man heeft tegenwoordig een papadag juist op maandag. Of vergis ik me nu?
Hoe dan ook het ging over die krentenbol. Mijn laatste krentenbol at ik een paar maanden geleden in de trein. We hadden de expositie over Werkman bezocht in het Gronings museum. Op de terugreis aten we in de trein onze boterhammen en een krentenbol. Twee jonge vrouwen stapten in. Zegt de een tegen de ander: ‘lief, die oudjes met die boterhammen.’

Oké, dat zijn wij dus…