zaterdag 23 april 2016


Een Africaansche Moor op Rozendaal

Ik loop in het museum langs het koopmanshuis waar in een presentatie aandacht wordt besteed aan het slavernijverleden van ons land. Ik kan hier niet meer passeren zonder aan Quaco te denken. O zeker, de dialoog die er te volgen is tussen de bezorgde ouders die op het punt staan hun zoon naar een plantage te sturen intrigeert me. Maar enkele maanden terug heb ik het stripverhaal Quaco, Leven in Slavernij van Eric Heuvel en Ineke Mok gelezen. Het levensechte, geheel gedocumenteerde verhaal over een jongeman, Quaco, die als kind in de binnenlanden van West Afrika toen hij aan het spelen was met zijn twee broertjes, werd gestolen. Dat moet ongeveer in 1770 zijn gebeurd. Hij wordt een eind in een zak meegevoerd, komt in bezit van een koning of chief, en wordt verkocht aan een kapitein van een slavenschip. Geen zeldzaamheid in die tijd. Bij duizenden werden jonge kinderen weggevoerd. Ze waren geliefd omdat ze sneller dan de volwassen slaven wenden aan een nieuwe omgeving. Quaco overleeft de overtocht. Hij komt op een plantage en wordt later lijfknecht van legerkapitein Stedman die jaagt op gevluchte marrons, zijn lotgenoten dus eigenlijk. Na enkele jaren neemt Stedman hem mee naar ons land en komt hij terecht in het Gelderse Rozendaal bij de familie Torck op kasteel Rosendael.  Jawel, op een steenworp van het openluchtmuseum! Ik had er geen idee van toen wij rondleiders in september jongstleden tijdens ons jaarlijks uitje ronddwaalden door dat kasteel en de bijbehorende tuinen. Quaco, het uit Afrika geroofde kind als zwarte bediende op het kasteel in Rozendaal! De kleine fonteintjes - De Bedriegertjes - en de schelpengalerij bestonden toen al. Quaco heeft er gewerkt. Hij is zelfs in de kerk van Rozendaal gedoopt! Bij die gelegenheid kreeg hij de naam Willem Stedman! Het doopboek vermeldt: op 13 Novb is op belijdenis gedoopt een Afrikaansche moor in dienst alhier van ..etc.   Een ‘Afrikaansche moor’ op Rozendaal! Het moet een gebeurtenis van de eerste orde zijn geweest, van de hors categorie om in wielertermen te spreken.   Hadden we het tijdens ons rondleidersuitje geweten dan was Willem, alias Quaco beslist onderwerp van gesprek geweest!
Maar de zwerftocht van onze Quaco / Willem gaat nog verder. Op het kasteel krijgt hij zijn vrijbrief en in 1792 vertrekt hij blijkens de archieven van de VOC naar Batavia. Enkele jaren daarna verdwijnt hij uit ons beeld. 
Dit alles, en nog veel meer, voltrekt zich tussen 1770 en 1795. In 25 jaar tijd word je gekaapt in Afrika,  weggevoerd naar Zuid Amerika waar je je pubertijd op een plantage beleeft (of overslaat) om via kastelen in Nederland, als christen gedoopt als matroos op een VOC-schip op Java terecht te komen.
Het kan verkeren! En denk niet dat Quaco de eerste en enige geroofde Afrikaan was die via deze route in het 18e eeuwse Nederland terecht kwam. Er moeten er enkele honderden zijn geweest.

Maar of hun aanwezigheid aanleiding tot ophef heeft gegeven, tot een Zwarte Piet discussie avant la lettre , ik vraag het me af.  Een ding weet ik wel:  telkens als ik op weg naar het museum langs het kasteel fiets of als gids langs het koopmanshuis loop is deze ‘Afrikaansche moor’ in mijn gedachten. 
Echter niet als ik op zaterdagochtenden met mijn loopvrienden door de bossen van datzelfde kasteel struin. Dan is er iets anders dat aandacht vraagt: het vermijden van verborgen boomwortels ...  

dinsdag 29 maart 2016

Wie is Amnesty?

Onlangs heb ik gecollecteerd voor Amnesty International. Sommige mensen vinden dat een beetje vreemd. Maar Amnesty is een organisatie die er toe doet in de wereld als het gaat om opkomen voor recht en gerechtigheid. Ik vind dat van groot belang. Middels de schrijfacties van Amnesty en de jaarlijkse straatcollecte kan ik daar een klein steentje aan bijdragen, en dat doe ik dus. Eén keer per maand voeren we een schrijfactie en één keer jaarlijks collecteren we. Eén keer jaarlijks slechts, maar dan doen we het wel goed.
Dit jaar bestreken we met zevenendertig  collectanten een groot deel van Velp en een deel van Rozendaal. Ik ging op pad door ‘mijn’ straten die ik al jarenlang krijg toebedeeld. Dat heeft zo zijn voordelen: ik ken de mijnen en de mijnen kenen mij, d.w.z. ze kennen mijn gezicht en ik hun geefgedrag. Tenminste een beetje, want meestal worden de 50 en 20 eurocentmuntjes tussen duim en wijsvinger discreet afgedekt door de drie overblijvende vingers. De twee euromunt mag meestal wel gezien worden en het ineengevouwen papiergeld heeft natuurlijk zijn kenmerkende kleur. De ‘gave’ is wat mij betreft nooit onderwerp van gesprek, alle beetjes helpen voor een club die het uitsluitend moet hebben van vrijwillige bijdragen. Vaak verontschuldigen mensen zich dat ze geen kleingeld in huis hebben. Ik ken dat ongemakkelijke gevoel maar al te goed. Al die straatcollectes doneer je niet met groot geld maar het voelt toch ongemakkelijk een collectant af te doen met wat muntjes.
Voorgaande jaren collecteerden we in januari dan wel februari. Vaak liep ik door sneeuw en kou, en dat had geheel volgens het adagium van onze grote voetbalheld ook zijn voordelen. Mensen waardeerden het als je in dikke sjaal gehuld met verkleumde vingers de bel beroerde. (Wat zijn er trouwens veel huisbellen die slecht functioneren, maar dit terzijde). Dit jaar collecteerden we echter in maart. Het was veel langer licht, mensen konden zien wie er aan de deur stond en de deuren gingen wat gemakkelijker open. Maar ik had ook de stellige indruk dat er veel meer mensen uithuizig waren. Of eten mensen later als het langer licht is en moet ik dan om acht uur ’s avonds aanbellen?
Er was nog een verandering dit jaar. Altijd had ik in mijn straten één weigeraar. Uiteraard sla ik die nooit over, een beetje pesterig bel ik elk jaar weer onbevangen aan, het leven is ook een spel niet waar? Maar dit jaar had ik de eerste dag al drie weigeraars! De reden is mij onbekend.
Het scheelt als je jarenlang in dezelfde straten collecteert, en zeker als dat ook nog eens in je eigen buurt is. Een bekend gezicht dat helpt het geefgedrag een beetje. Een nieuwkomer in de buurt die in het verleden weigerde, maar me nu herkent als buurtbewoner, zegt, naar woorden zoekend, een beetje moeizaam: ik heb helemaal geen kleingeld. Maar hij weet dan toch nog wat te vinden.
Een ander zegt: meneer Beltman, u heeft hier vroeger toch gewoond?  Ze vertelt dat ze gaan verbouwen en vraagt: wilt u het nog een keer zien en nodigt me binnen. Met veel belangstelling bekijk ik nog eens het huis waaruit we dertig jaar geleden verhuisden! Zo zie je maar: collecteren is allerminst saai.
Achter een raam ontwaar ik een loopmaatje. Hij kijkt op het horen van de bel door het raam. We zien elkaar. Hij opent de deur en zegt : die collectant kan ik natuurlijk niet weigeren! Ik zeg: ja joh, vluchten kan niet meer!
Zoals gewoonlijk komt het meeste papieren geld van mannen, wat dat betreft is er tussen februari en maart weinig verschil. En ook in maart blijken adolescenten zich te verontschuldigen: mijn ouders zijn niet thuis. En ik maar denken dat de meeste adolescenten een baantje hebben als vakkenvuller. Dat vak vult blijkbaar slechts met mate...

Onnavolgbaar was een oudere man. Wie is Amnesty?,  mompelde hij terwijl hij een pas terug deed. Amnesty International meneer, dat gaat om de mensenrechten.  Mensenrechten?, onderwijl zoekend in zijn portemonnee, die heeft toch iedereen?  Ja maar er is nog een hoop werk te doen, zeg ik. Hij geeft geen commentaar, haalt een tien eurobiljet uit zijn portemonnee, kijkt me aan, en stopt die zonder een woord in de bus. Dan sluit hij de deur, bedaard zoals een heer betaamt. 

donderdag 25 februari 2016



In de isoleer leer je nog eens wat

Een vervelend griepje dit jaar, houdt je zo maar een week bezig, of juist niet bezig, het is maar hoe je het noemen wilt. Goed, ik dacht dus mijn portie te hebben gehad. Mooi niet dus! Afgelopen weekend weer doorgebracht in de isoleer, zo noem ik de tienerkamer op zolder die voor dit soort gelegenheden altijd nog paraat wordt gehouden. Tijd genoeg dus om de krant aandachtig door te nemen. En wat lees ik…
Hoera! De ‘verspulling’ heeft haar hoogtepunt bereikt! Het klopt wat ik al zo vaak dacht: we stikken met zijn allen in de spullen. We weten niet waar we de opbergdozen moeten laten. In de kast, op de kast, onder de kast, in de gang.  We struikelen erover, op de overloop, onder het bed, op zolder, overal dozen en hoesjes en systemen van IKEA en Action om de hebbedingen en prullaria te bewaren. Maar nu heeft de spullenpiek haar hoogtepunt bereikt.  Dat verzin ik niet, vanwege de koorts of zo, nee dat heeft een Amerikaanse trendwatcher ontdekt! Hij heeft er een boek over geschreven, ‘Stuffocation’ getiteld. Dat betekent zoiets als stikken in de spullen.  Oké, dat hadden u en ik dus al geruime tijd in de gaten. Maar nu is er een boek over geschreven! En ook een van de bazen van IKEA heeft erover gesproken. De consument begint er genoeg van te krijgen! En niet alleen van alle overbodige spullen, nee , meneer IKEA trekt een vergelijk met de oliepiek, hij vindt dat we ook een roodvleespiek, een suikerpiek en een woninginrichtingspiek hebben gehad.  En dan vergeet hij volgens mij nog de plastic tasjespiek!  

Zou het dan toch waar zijn? Toegegeven, als homo sapiens doen we er lang over, maar misschien, ooit doen we onze naam dan toch nog eens eer aan. Onze kleinkinderen zullen er blij om zijn! 

dinsdag 16 februari 2016


Muffin uit de hemel


Geen koorts, wel koorts, geen griep, wel griep, beetje griep of toch niet? Ik ben het zat, dat duurt nu al ruim een week. Maar vanmorgen voel ik me voor het eerst weer als vanouds. Als kip dus. Hoe ik aan die uitdrukking kom weet ik niet, maar als ik me ‘als kip voel’, dan voel ik me gewoon lekker. En laat het nou nog prachtig weer zijn ook!! Ik aarzel geen moment!  Al meer dan een week heb ik niet gelopen. Alleen hardlopers weten dat lopen in de mond van een hardloper, hardlopen betekent. Ruim een week gedwongen rust! Regelmatige hardlopers weten dat dat afzien is en hunkeren, vooral dat laatste. Nu doet zich dus de kans voor en natuurlijk grijp ik die. Naar buiten! Nog wel niet hardlopend maar wel op de fiets!
Een uurtje later – want eerst moest nog mijn haar gekamd, mijn kin geschoren, een sudocu gemaakt, een kopje koffie gedronken – zit ik op de fiets. Het is nog koud maar op de dijk achter De Beemd voelt de zon heerlijk op de huid. Weggedoken in mijn sjaal, zonnebril op,  fiets ik onder de A12 door langs de zuivelboerderij richting Westervoorstedijk. Even later kies ik het fietspad door Het Broek. Wat begint Arnhem toch een echte fietsstad te worden. Zonder één stoplicht zoef ik over dat fietspad linea recta tot naar de Berekuil, de historische fietsrotonde bij de John Frostbrug  die rechtstreeks toegang geeft tot het stadscentrum. In no time ben ik via de Eusebiusbinnensingel tot bij V&D waar je – toegegeven – wel even ogen voor en achter moet hebben.  Ik heb nog net tijd om te denken: V&D sic transit gloria mundi! Maar dan sta ik al bij de gratis -  jawel: gratis! – fietsenstalling bij de Koepelkerk. En zo maak ik even later vol verwachting mijn opwachting bij Stan&CO , Arnhems nieuwste meet and greet point.
 De begroeting is verpletterend persoonlijk, alsof ik de VIP van de ochtend ben! Maar al ras merk ik dat het personeel de deur steeds in de gaten houdt en voor iedereen deze égards in huis heeft. Weer met beide voetjes op de grond bestudeer ik de kaart. Ik neem cappuccino met een muffin berry berry lady/chocolic. Dat lijkt me wel iets. Temeer daar de kaart vermeldt dat Stan&Kirsten al het zoet en lekkers maken bij patisserie Hemels in de Kerkstraat.
Mijn geduld wordt erg op de proef gesteld, maar allé de vasten is net begonnen dus even oefenen Gerard, zo houd ik me voor. Hoe langer ik wacht hoe meer ik last krijg van het volume van de muziek. Ik vind het takkenlawaaierig hier! Maar dan komt er iemand mijn bestelling opnemen. Ik voel de muffin berry berry al op mijn tong! Maar het verlangen moet nog even rijpen, zo blijkt. De chocolic is al driemaal gesmolten op mijn lip als ik eindelijk wordt bediend. Het moet gezegd, de muffin is heerlijk. De chocolic echter zo klein dat het nauwelijks lic genoemd mag worden.  
Ik maak een foto en stuur die naar Hemels. Onmiddellijk antwoord van Kirsten: ‘die muffin is dus niet door ons gemaakt.’ Ik ben helemaal van de wap: de kaart vermeldt dat al het lekkers etc, bij Hemels in de Kerkstraat wordt gemaakt. Aldus app ik terug. Ja, schrijft Kirsten, dat weet ik maar wij leveren de muffins dus niet. 
Ik kan het niet meer volgen, maar ja, er is tegenwoordig wel meer dat ik niet kan volgen. Als ik ga betalen en de bediening me vraagt of het heeft gesmaakt, vraag ik belangstellend waar die muffin vandaan komt. ‘Dat komt van patisserie Hemels in de Kerkstraat, meneer. Kijk maar dat staat op de kaart’. Ja , dat heb ik gelezen. Maar levert die patisserie ook de muffins? Ja meneer, die levert alles! Vond u het lekker? Ja, ik vond het lekker.
Nog wat in de war verlaat ik het pand. Wie valt er nu nog te vertrouwen in deze wereld? Afkomstig uit een degelijk rooms nest weet ik uiteraard dat er heel wat is gediscussieerd over goed en kwaad, hemel en hel. Als geen ander heb ik er weet van dat dingen heerlijk kunnen zijn ook al zijn ze niet des hemels. Niet voor niets is tussen hemel en hel het vagevuur geschoven. Die muffins zo besluit ik – inmiddels weer op mijn fiets -  zullen wel des vagevuurs zijn. Voortaan ga ik voor echte hemelse  muffins  naar HEMELS in de Kerkstraat.


zaterdag 30 januari 2016


Lief die oudjes 

Ik loop over het Zaanse Plein. Bij de bakker snuif ik weer even die heerlijke lucht van de verse bakker op. Ook al blijf ik brood bakken en een smederij een vreemde combinatie vinden, het ruikt er toch altijd heerlijk. Een smederij zegt u? Jazeker, de op takkenbossen gestookte oven van onze bakker staat in de vroegere smederij Van Klinkenberg uit Koog aan de Zaan. De ventilatieluiken om de rook te laten ontsnappen zijn nog aanwezig. Het is hier in het museum vastgeplakt aan een vroeger woonhuis /boekenwinkel uit Zaandam. Het museum heeft dus iets heel nieuws gecreëerd, maar het heeft wel een vreselijk authentieke uitstraling. Zo authentiek dat ik er bijna altijd mensen aan kwijtraak als ik er met een groep langsloop.
Dit keer loop ik dat gevaar niet want ik heb geen groep bij me. Ik zet me op een bankje en even later krijg ik gezelschap van een moeder met dochter.
Dochterlief vraagt: ‘Waarom koop je een krentenbol mamma, dat deed oma vorige week in de dierentuin ook.’ Ik moet op het puntje van mijn tong bijten om niet te zeggen: omdat we Nederlanders zijn, door de week eten we stamppot en als we uitgaan een krentenbol. 
Ik had ook kunnen zeggen: omdat jullie niet uit Arnhem komen, in Arnhem eten we Arnhemse meisjes. Maar ik denk dat in dat geval noch dochterlief noch mama er iets van had gesnapt. Arnhemse meisjes, die eet je toch niet, daar ga je mee naar de Korenmarkt, toch?
Later bedenk ik dat voor die Arnhemse meisjes in vroeger dagen echt geen bezoek aan de  Korenmarkt was weggelegd. Ze moesten op zondagochtend naar de kerk en daarna uitrusten want op zondagavond begon het alweer: dan werd de was alvast in de week gezet. De eerste fase van het arbeidsintensieve proces dat zich elke week herhaalde:
Weken - broeien – schrobben – loogbad - bleken – spoelen – persen- plakken (droog toeslaan) – drogen – strijken – vouwen – opbergen. En na de witte ook nog de bonte was!
Ook al werkten ze niet in een van de vele wasserijen langs de sprengen en beken ten noorden van Arnhem, het was toch een heel gebeuren. Ik zie het tafereel voor me op de landjes achter de huisjes uit Tilburg of op die achter de huizen op de Arnhemse Geitenkamp. Bejaarde mensen daar spreken meestal nog over hun ‘landje’ in plaats van over tuin.
Maar goed, dit uitgebreide wasgebeuren is sinds de intrede van wasmachine en droogtrommel, geschiedenis geworden. Het had van mij opgenomen mogen zijn in de canon van de Nederlandse geschiedenis. een canonvenster dus. Wat hebben die vrouwen gewerkt! De huidige Arnhemse meisjes hoeven  ‘alleen nog maar’ wit en bont te sorteren, op te hangen en af te halen, te strijken, op te vouwen en weg te werken. Oké, het komt wekelijks terug, maar in vergelijking met vroeger niet om over te schrijven. Bovendien: menige man heeft tegenwoordig een papadag juist op maandag. Of vergis ik me nu?
Hoe dan ook het ging over die krentenbol. Mijn laatste krentenbol at ik een paar maanden geleden in de trein. We hadden de expositie over Werkman bezocht in het Gronings museum. Op de terugreis aten we in de trein onze boterhammen en een krentenbol. Twee jonge vrouwen stapten in. Zegt de een tegen de ander: ‘lief, die oudjes met die boterhammen.’

Oké, dat zijn wij dus… 

zaterdag 16 januari 2016


Brrr natte sneeuw

Het regent een beetje. Het wordt een natte loop vandaag. Als ik de deur uitloop zie ik net Ingrid de hoek om fietsen. Halverwege de Rozendaalse Laan stopt een auto: Ton Fransen biedt me een lift aan. Nee, dank je ik vind het heerlijk om vijf minuutjes in te lopen. Altijd, elke zaterdag is er wel een loopmaatje die stopt om me een lift aan te bieden, en altijd bedank ik. Gek, dat lopers denken dat je het erg vindt om te lopen zelfs als je voor de lol gaat lopen. In de verte zie ik Els voor me lopen. Benieuwd hoe het met haar blessure is.
Er staat een grote groep vandaag, Blijkbaar is er dus nergens een trail. Als voorzitter Bert me ziet tovert hij meteen een waardebon voor mij tevoorschijn. Kijk dat noem ik nou een hartelijk onthaal! Bas probeert nog even: waarom jij wel en ik niet, maar dat is een flauwe. Later vanmorgen zal bij hem de lust om grapjes te maken langzaam maar zeker doven. Daarvan heeft hij nu echter nog geen flauw vermoeden.
Ruim te laat, want vijf over negen, besluiten we te starten. Cees kiest vanmorgen de Velpse kant van de parkeerplaats. Meteen de eerste meters in het bos is het al raak. Blubber, sporen van brede banden, diepe voren met water, we glibberen het bos in. En dat blijft zo want het Gelders Landschap heeft besloten de Koningsberg om te ploegen tot een wandelpark zoals dat eeuwen geleden blijkbaar is geweest. Tja, als je medewerkers in dienst neemt om subsidies aan te trekken dan is dit het gevolg… Onvoorstelbaar wat voor een ravage er in één week tijd al is aangericht, en hoeveel blubber dat oplevert!
Als we de sportvelden bereiken heeft de helft van ons al natte voeten. Ik hoop dat Cees rechtsaf gaat, maar nee hij besluit linksaf omhoog het bos weer in te gaan. Ojé, vorige week was het al zo’n kliederboel, het zal na de regen van deze week nog erger zijn, denk ik. Maar ja, als stadsmens denkt Cees zelfs bij regendagen niet aan het bos. Ik wel en mijn gelijk wordt snel bevestigd. Glibberend en glijdend klunen we naar boven. Boven bij de verharde weg blijkt er al een gapend gat met de achterhoede. Ik heb nu al medelijden met Els, wetend van haar hamstringblessure. Maar Cees kiest het pad achter de Emmapiramide naar het noorden. Dit is begaanbaar maar ik weet wat er straks gaat volgen:  iron man Cees kiest straks – zeker weten -  niet het asfalt naar links of rechts. Precies zoals ik dacht gaan we rechtdoor omhoog het zandpad naar de Zijpenberg op. Arme Els, nu wordt het menens! Normaal is het pad berucht vanwege de stijgingen door het rulle zand. Maar nu is het één lang, glad blubberig pad waarover we hink-stap-springend naar boven klimmen. Halverwege staat er plompverloren een auto. Hoe die daar komt en vooral weer wegkomt is mij een raadsel. Ik kijk achterom en zie dat Ronald wacht op Els die verder beneden in haar gele jack aan komt klimmen. Mooi, dan kan ik dus verder klunen. Els is in veilig gezelschap want mocht er iets gebeuren dan weet ik dat  Ronalds polsapparaat alles opslaat: stops, afstanden, coördinaten, hartslagen enz.  Ik kluun dus verder. Zo’n tweehonderd meter onder de top kan ik het asfalt  kiezen. Ik  aarzel ik geen seconde vermoedend dat Sjoukje en Nancy  dit voorbeeld zullen volgen, maar nee hoor als echte mannen klunen ze verder over het pad. Op de top staat de voorhoede te wachten tot de hele ploeg weer bijeen is.
Dan kiezen we een afdaling, zo mogelijk nog gevaarlijker want de holle wegen nodigen uit tot zijwaartse glijpartijen .Onze Harry heeft dan bedacht dat er nog wel een ommetje mogelijk is. Uiteraard een helling en dan via een afdaling over verborgen boomwortels toch richting de vijver van Beekhuizen. Dan begint het te  sneeuwen.  Het doet me deugt dat Harry noch de iron man van vanmorgen de weg langs het zwembad kiezen maar nu opteren voor de gebaande weg door Velp richting de Pinkenberg. Ik vraag Els even of ze last heeft van de blessure. Ja, ik voel hem, zegt ze, maar ik doe het zo graag, daarmee bevestigend dat ze echt bij de Bedriegertjeslopers hoort.  Want zo is ons cluppie: we lopen bij weer en geen weer, in alle seizoenen. Sterker nog: als even later de sneeuw ons ouderwets in het gezicht striemt, zeggen we: heerlijk hé !!
Op de parkeerplaats staat Wilma nog te wachten. Dat wisten we. Wat  we niet wisten is dat de snelle lopers die zichzelf de naam trailgroep  hebben  toegedacht, deze ochtend al voortijdig hebben afgehaakt.  De vraag wie de echte trailgroep vormen is nu dus in alle duidelijkheid beantwoord.
Terwijl we bij de kofferbak genieten van Wilma’s koffie zijn we er getuige van  hoe iron man Cees zich in de striemende sneeuw omkleedt. Zelfs hij heeft koude handen, het lukt niet zo goed, en uiteindelijk staat hij erbij als een buideldier  met een capuchon bungelend onder zijn kin. Vanonder paraplu’s met een beker warme koffie in onze hand  - wij wel ! - aanschouwen we het tafereel.
Nancy besluit dan enkele foto’s te maken om later haar kinderen  te kunnen laten zien dat ook zij deze dan legendarische helletocht heeft volbracht.  Maar ze staat er zelf niet op. Iron man is dan zo galant  om het toestel even over te nemen. Kom op Cees, ik sta te verkleumen, roept Wilma. Maar hoe Cees ook zwoegt, een stap naar voren, nog eens inzoomend, hij krijgt het niet voor elkaar.
We gaan naar huis. Dankbaar maak ik nu wel gebruik van de lift die Bas aanbiedt.  

P.S.:

Juist deze week besloot het bestuur van de stichting De Bedriegertjeslopers  al haar leden een reanimatiecursus aan te bieden.

woensdag 6 januari 2016


Mama’s tas


Ik loop van het administratiegebouw richting ijsbaan. Het is de zondag van Winter Landleven, en dat is te merken. Op de Schelmseweg keren tientallen automobilisten het wachten beu, hun automobiel. Als ik de rotonde nader zie ik de oorzaak: vele voetgangers naderen langs het restaurant omhoog de Schelmseweg en de verkeerregelaars zijn zeer attent voor hen.
Ik val zogezegd met de neus in de boter. Het publiek wordt gevraagd de baan vrij te maken voor een demonstratie schoonrijden op de schaats ‘ de oudste tak van ijssport in Nederland, en uniek in de wereld’, het is maar dat u dat nu dus weet. De demonstratie zal gegeven worden door de streekdrachtengroep van de Landelijke Vereniging van Schoonrijders, zo hoor ik. Daarvoor maken alle schaatsers graag ruim baan, het publiek omzoomt het hekwerk en even later neemt een twaalftal kleurrijke paren zwierend bezit van de baan. En het moet gezegd: het is een lust voor het oog, een plaatje! Terwijl ze zwierend hun rondjes schaatsen legt de commentaarstem de betekenis uit van het gezegde: het met iemand aan de stok krijgen, dan wel: iemand aan de stok krijgen. Ik denk aan mijn ouders die in hun jonge jaren bij elkaar aan de stok van Zwolle naar Kampen schaatsten. Ik dank er vermoedelijk mijn bestaan aan. Thuis google ik nog even, en jawel hoor: de Landelijke Vereniging van Schoonrijders heeft een eigen website en onder de button streekdrachtengroep zie ik een foto waarop ik verschillende dames van vanmiddag herken. Ze treden op, zo lees ik, tegen onkostenvergoeding (dus een koopje voor Landleven, maar dit terzijde).
Een uurtje later ben ik getuige van een ander schouwspel, helaas niet aan te klikken op internet. Het speelt zich af op het paadje naar Freia ter hoogte van de knuffelweide. Terwijl ik naar een stand van bushcraft (typisch zo’n Landleven item) sta te kijken, hoor ik achter me op bevelende toon ‘laat hem nou!’ In de bosschage zie ik een klein hondje aan de lijn van een vrouwelijke bezoekster krom gebogen in poephouding, terwijl dochterlief het hondje wil aaien. ‘Laat hem nou, anders doet ie het straks bij mamma in de tas!’ Als het blijkbaar niet wil vlotten en dochterlief opnieuw wil aaien roept moeder opnieuw: ‘laat hem nou, anders wordt straks mamma’s tas vies!’ En als het beestje dan geslaagd is zie ik dat moeder de gave in papier wikkelt en in haar rieten boodschappentas doet. Dan neemt ze het hondje op en laat het behoedzaam eveneens in de tas zakken. Met de tas aan de arm, het hondensnoetje er poezig bovenuit, begeeft ze zich verder de drukte in. Het is een snoezig gezicht, maar toch:  boven op de eigen drol…, zo’n hondenleven… ik weet het niet.
Naar huis fietsend dringt zich de gedachte op dat de tas van mevrouw bij thuiskomt misschien  toch niet helemaal droog zal blijken.