woensdag 7 maart 2018



Het kan verkeren



Ja,het kan verkeren: een man heeft zich boven een vuurtje een reiger bereid. De geroosterde poten van het beest zijn opgenomen in de collectie ‘objecten met een verhaal’ van een  museum in Den Haag. Meneer zelf – naar ik las een Rus -  is na de maaltijd opgepakt door de vreemdelingenpolitie omdat hij zich niet kon legitimeren.  Maakt u zich geen zorgen over de opgegeten vogel, diens leven was al ‘voltooid’ toen hij door meneer werd aangetroffen.
Het leven van onze dieren gaat deze winter trouwens niet echt over rozen. Neem de paarden in de Oostvadersplassen, ze sterven weliswaar een ‘natuurlijke dood’ door de ijzige kou, maar wel binnen hekken. En tja, wat moet je daarvan vinden? En de veelbekeken damherten in de Amsterdamse waterleidingduinen, wat moet je daarvan vinden? Ze worden gewoon afgeschoten, gemiddeld 80 per week. Afschieten is volgens mij heel onnatuurlijk, maar ik hoor er geen herrie over. En dan nog al die edelherten en zwijnen op onze Veluwe. Dankzij plenty afschotvergunningen houden die in elk geval de jagers van de straat, zullen we maar zeggen. En dan hebben we ook nog de Gallowayrunderen in de Maasvallei. Ook afgeschoten, maar wel gegeten als wildernisvlees, dat dan weer wel. Ik kom er niet zo goed uit. Wat zou Marian Thieme van dit alles vinden?  En dan heb ik het nog niet eens over het Lam Gods. Dat heeft te lijden heeft onder droogte. Ja, dat stond in de krant. U weet wel, het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck.  
Er wordt wat afgeschoten in deze wereld. En de ziekenhuizen openen aparte afdelingen  spoedeisende hulp voor ouderen, zo lees ik. Ik denk er het mijne van, ik ben ook 55 plus. Maar het stemt me gerust te weten dat de jagers met het huidig aantal afschietvergunningen voorlopig de handen nog wel een tijdje vol hebben.


vrijdag 12 januari 2018



Melle op het ijs

 Het is de laatste vrijdag van het jaar. Om 10.45 uur is de parkeerplaats van het museum  al driekwart vol en bij de ijsbaan is het een drukte van belang. Het personeel is op volle oorlogssterkte. Ze verwachten duizenden mensen. Bij de uitgifte van schaatsen zijn drie collega’s druk in de weer. Er staat een lange rij hunkerende liefhebbers. Bij de inname staan twee collega’s de schaatsen schoon te vegen, een derde plaatst ze terug, nauwkeurig op maat.
Op het terras proberen kinderen stampend en wringend hun schaatsen aan hun voeten te krijgen. Moeders, met dikke sjaals om hun hals geknoopt want het is koud, helpen een handje, voorover gebukt vanuit hun stoel. Na enig vergeefs proberen zakken de meesten tenslotte toch met een zucht op hun knieën ter verdere assistentie. ‘Even wachten Lonneke,’ zo klinkt het als een kind zich in beweging zet, ‘mama moet zelf nog schaatsen aandoen!’ Ik sla het tafereel gade, het is een hele bevalling. Dikke winterkleding, sjaal, muts, handschoenen. Langs de reling ploetert een donker gekleurde moeder met twee dochters, alle drie houden ze zich krampachtig vast aan het hout. 
Ik begeef me naar de krabbelbaan in de verwachting dat het daar wel rustiger zal zijn. Maar daarin vergis ik me, het lijkt een potje met pieren.  Kleine Melle schuifelt millimeter voor millimeter achter een schuifhertje. Papa moet weg, zo verordonneert hij. Gedwee verlaat papa het ijs. Duidelijk verdwaasd door alle drukte rondom hem schuifelt het joch voetje voor voetje verder.  ‘Gaat het?’ roept papa. Melle beweegt zijn hoofd maar ziet niets. Uiteindelijk komt hij met zijn hertje in een hoek terecht. Daar blijft hij het hertje tegen de planken duwen. Papa buigt zich over de reling: ‘zal ik het hertje even goed zetten?’ Nee, schudt Melle, typisch een geval van zelf doen! Papa berust in zijn lot als toeschouwer.
Maar het hertje wil niet meer. De teleurstelling incasserend laat Melle het dan maar los. Tja, voor zo’n jong kereltje is het leven hard, denk ik. Op eigen kracht schuifelt hij zowaar wat streekjes op zijn dubbele ijzertjes. ‘Blijf staan,’ roept pa, ‘ik kom eraan!’  Maar bij zijn zoontje gekomen heeft een ander kind zich inmiddels over het hertje ontfermd. ‘Wil je niet meer?’ vraagt pa in de veronderstelling dat zijn zoontje van het ijs af wil. Maar dat blijkt toch niet helemaal de bedoeling. Weifelend wijst Melle naar het hertje dat inmiddels steeds verder van hem weggevoerd wordt. ‘Nee,’ zegt pa, ‘nu mag een ander kindje.’ Dan verschijnen de waterlanders op zijn gezichtje. Een koud handje aan een armpje waaronder een handschoen bengelt aan een touwtje, wijst vertwijfeld het hertje na. Het andere handje aan het andere armpje wordt door papa’s hand meegetroond richting zijkant van het ijs.  Ik besef dat ik getuige ben van een drama, weliswaar op microniveau, maar toch, voor Melle een drama. Hij wordt weggeleid van een wereld die hij millimeter voor millimeter bezig was te ontdekken.
Later zie ik hem in het Canon Café in de weer met zijn eigen bekertje met drinktuit. Hij is nog te klein om uit een grote-mensen-beker te drinken. 
Als opa volgend weekend op bezoek komt en hem vraagt wat hij wil worden, zal hij – zeker weten – antwoorden als eens het ventje uit de reclame: ‘boer, én schaatser!’ Maar ik betwijfel of er nog pindakaas op het aanrecht staat.


zondag 17 december 2017


Zonder wifi op een camping


Bij de Tilburgse huisjes in het museum. Meestal slalom ik er door. Als je het vierde huisje aan de achterkant betreedt, dan ga je dus ook het tweede huisje via de achterdeur binnen. Vaak vertel ik dat het is bedoeld als modelwoning van de wijkzuster. Die hebben we dan al gezien bij het kruisgebouw. De woning geeft het tijdsbeeld van rond 1950. De tijd van de wederopbouw, maar ook de tijd van toenemende aandacht voor hygiëne.  Bij haar ronde langs de zieken liet de wijkzuster niet na te wijzen op het belang van een schoon aanrechtblad, een schoon gedweilde vloer, op het voordeel van oliestook boven kolen, enzovoort. En de bedompte bedsteden waren haar natuurlijk een doorn in het oog. Elke tot kast vertimmerde bedstee, elk doorspoeltoilet en elk ledikant zal ze met vreugde hebben verwelkomd! Als de wijkbewoners  bij haar kwamen vragen of ze even de telefoon mochten gebruiken dan aanschouwden ze dit alles met eigen ogen. Want als vooraanstaand persoon bezat zij natuurlijk als een der eersten een telefoon.
Vooraanstaand, zegt u? Jazeker! Jonge meiden met pit hadden ook na de oorlog nog weinig kansen. Een plattelandsmeisje kon het dorp eigenlijk alleen maar ontsnappen door voor verpleegster te gaan leren. Dan moest ze intern (bij de nonnen of de diaconessen) in een verpleegstersflat bij een ziekenhuis in de stad. Oké, ze moest er wat voor over hebben, maar later als verpleegster was ze iemand! En de meiden die echt iets wilden deden daarna nog ‘de wijk’, ze behoorden dan met de dokter, de pastoor/dominee, en de onderwijzer zomaar tot de notabelen van het dorp. Als wijkzuster was ze een rolmodel en de inrichting van haar woning was vanzelfsprekend een afspiegeling daarvan. Linoneum op de vloer, behang aan de muur, een geiser boven het (schone!) aanrechtblad en zelfs telefoon in huis! Ons derde Tilburgse huisje getuigt hiervan.
Toch kreeg ze haar loon nog cash uitbetaald in een papieren zakje. Om het op haar spaarrekening te zetten moest ze naar het postkantoor, en misschien reed ze op haar solex of Berini wel eens naar een camping op de Veluwe of in de Peel. In die tijd was er nog geen sprake van festivallisering van de zomers en van vliegvakanties had nog helemaal niemand gehoord. Een partijtje badminton op een camping verscholen in het groen, was al heel wat.
Eens toen ik dit vertelde vulde een bezoeker aan: ‘Ja, en wie weet, misschien wel met de jonge dokter van een naburig dorp!’
Terugfietsend naar huis zie ik voor me hoe ze diep voorover reikt naar een shuttle en die al kirrend terugslaat buiten bereik van de jonge arts, of nog leuker: precies mikkend op diens lijf.
Wat een tijd: zonder wifi op een camping!


maandag 27 november 2017


Kleine mannetjes

Ik heb een tijdje last van mijn knie gehad. Niet zo ernstig hoor, maar als ik een eindje ging hardlopen had ik er de volgende dagen last van.  De fysiotherapeut heeft er een mooie naam aan gegeven retropatellaire chondopathie, en ik heb me op zijn advies bij een heuse podoloog een paar specifieke antipronatiezolen laten aanmeten. Ik heb ze inmiddels ook in mijn gewone schoenen. Dat voelt wel goed. Maar bij inspanning bleef ik toch last houden. Daarom besloot ik een paar weken helemaal niet hard te lopen. Dat gaf de tijd om op zaterdagochtend terwijl mijn loopmaatjes door de bossen holden uitgebreid de krant te lezen. En ik moet zeggen dan lees je nog eens wat (al gingen mijn gedachten toch steevast naar het bos en de hei). Ik las bijv. een leuk stukje over kleine mannetjes. Er zijn er nogal wat: Poetin, Berlusconi, Hollande en ook Sarkozy: allemaal aan de kleine maat. Dat soort kereltjes  zoekt blijkbaar compensatie in macht. En als ze aan de macht zijn blijven ze streven naar omhoog. Sarkozy bijv. ging stiekem op zijn tenen staan toen hij op de foto zou met voormalig president Obama. Ja, het schijnt echt gebeurd te zijn. Berlusconi pakte het beter aan, die ging bij groepsportretten gewoon op een voetenbankje staan! Ze schijnen ook geneigd te zijn om als ze de kans krijgen wetten te veranderen zodat ze langer aan de macht kunnen blijven. Poetin is daar handig in. Psychologen noemen dit ‘het Napoleonsyndroom’, zo las ik. Meneer Napoleon schijnt ook erg aan de kleine maat geweest te zijn.
Kleine mannetjes, ik ga er eens op letten, dacht ik. Dat deed ik dus toen ik onlangs een foto van een anti-zwarte pieten comité onder ogen kreeg. En wat denkt u? Inderdaad, aan de korte maat! Daar zijn we dus lang nog niet van af…! Nu ik dit tik bedenk ik dat ik in onze loopgroep ook eens letten moet op de lengte van sommigen die zo graag hun loopmaatjes het snot voor de ogen draven.  Het zou me niets verbazen als…
Ik las ook over de Hema. Die wil haar winkelformule meer bij de tijd brengen door de onderbroekjes voor kinderen genderneutraal te maken. De aanduiding meisjes of jongens wordt geschrapt! Hoe correct kun je zijn in je taalgebruik! De conducteurs van de NS moeten na 1 januari het ‘dames en heren’ vervangen door ‘beste reizigers’. En ik las dat we nadrukkelijker naar ons witte lichaam moeten kijken want we beseffen veel te weinig dat we wit zijn, en dat dat heel veel complicaties heeft. Dit en nog veel meer las ik in de weekendbijlagen van ‘misschien wel de beste krant van Nederland’. Waar zouden dan de andere kranten hun bijlagen vol mee schrijven, zo vraag ik me af.

Hoe dan ook, ik dank God op mijn blote knieën dat Hij/Zij (invullen naar believen) mij groot heeft geschapen. Ik zal geen poging doen om wetten te veranderen om langer mee te kunnen doen. Ik ga gewoon weer hardlopen. Ook effectief, toch?

maandag 13 november 2017

#Metoo


Geruime tijd geleden hadden we een afspraak gemaakt. Ik had er vaak aan gedacht en nu was het zo ver. Ik toog naar de afgesproken plaats, een beetje gespannen voor wat komen zou.

Ik stond even om me heen te kijken  - zoals iedereen in zo’n situatie, naar ik denk – toen ze aan kwam lopen. Ze stak haar hand uit en noemde vragend mijn naam. ‘Ja dat ben ik,’ zei ik. Kom maar met me mee, zei ze. Een frisse verschijning van rond de dertig, gekleed in voornamelijk wit. Ze draaide zich kordaat om en liep voor me uit. Eenmaal in haar kamer liet ze er geen gras over groeien. Ze was nieuwsgierig naar mijn geboortedatum. Moet dat nou, dacht ik nog, we hadden toch afgesproken, waarom dan dit gedoe? En toen maakte ze me zonder blikken of blozen duidelijk dat ik mijn broek maar uit moest doen. Nu kun je er in deze tijd van #Metoo natuurlijk op wachten dat het jou ook een keer zal overkomen, maar dit vond ik toch wel een beetje erg recht door zee.
Maar wie A zegt, - ik had immers zelf de afspraak gemaakt - moet ook B zeggen en dus begon ik ietwat onzeker met mijn handen aan mijn riem en aan mijn knopen te frutselen. Ze zei verder niets en ging zitten. Toen ik mijn broek uit had wees ze naar een lege stoel, daar kon ik hem wel opleggen. Zonder broek keek ik wat onzeker naar mijn sokken, ze zag het en zei: hou die maar rustig aan, ga maar zitten.
En terwijl ik daar zat in mijn onderbroek kwamen er nog een dame en een man. Allervriendelijkst moet ik zeggen, maar toch, ik had gerekend op een één op één ontmoeting, en nu zat ik hier in mijn onderbroek tegenover drie paar belangstellende ogen. Ze vroegen me of ik wilde gaan staan en zeiden tegen elkaar dat het er eigenlijk best goed uitzag.  Dat was niet nieuw voor me. Nog vorige week had ik gehoord dat ik er voor mijn leeftijd goed uitzag, maar toen hoefde ik daar niet mijn broek voor uit te doen.
Het gebeuren zelf verliep prima, op het eind wilden ze nog een fotosessie. Daarvoor werd ik naar een andere kamer genodigd, waar twee andere dames me opwachtten. Ook zij vroegen me uit de broek te gaan. Een van de twee boetseerde me in de juiste stand, ging vervolgens samen met de ander staan kijken achter glas, en ze drukte af. Drie foto’s in drie verschillende standen. Toen mocht ik mijn  broek weer aan en teruggaan naar de eerste locatie waar we de foto’s zouden gaan bekijken.
Ik was zo benieuw en opgewonden, dat ik zelfs moeite had de plek terug te vinden. Maar het duurde niet lang of we stonden met ons drieën naar de foto’s te kijken.
Met een tevreden gevoel en een hele ervaring rijker verliet ik wat later het pand. Ze hadden verzekerd dat er niets ergs aan de hand was. Mijn knieschijf heeft een beetje veel speling, dat kan soms lastig zijn, maar: blijf vooral fietsen en lopen, was hun advies. Oké, zei ik, zal ik doen!

En op weg naar de auto dacht ik: tel je zegeningen!

dinsdag 7 november 2017


Kheptsodruk

We schrijven augustus 2017. Het is gezellig druk en de zon schijnt uitbundig. Op zo’n dag valt er van alles te beleven. Daarvan hieronder een kleine impressie.
Ik besluit eerst maar eens op het bankje voor ons blauwe boerderijtje te gaan zitten. Als ik er een paar minuten zit passeert er een moeder met een kind van naar ik schat vier / vijf jaar oud. De moeder oogt opvallend jong. Ze pakt het kind bij de hand en zegt naar het boerderijtje wijzend: ‘kijk daar, die kleine raampjes, kom, lekker gluren!’ Terwijl ze voor me langs huppelt, het kind aan een arm meetronend, kan ik niet anders dan haar toch wat verwonderd nastaren. Opvoeding anno 2017 denk ik: kom, lekker gluren!
Als ik verder loop nadert even over de tramrails een familie, drie generaties, druk gesticulerend en pratend in een voor mij onbegrijpelijke taal. Chinees? Japans? Koreaans? Een gewoon gesprek, boos, discussie of gezellig? Ik heb geen idee. De talen van het andere halfrond zijn voor mij één onbegrijpelijke brij, maar zij op hun beurt zullen het verschil niet horen tussen Zweeds, Duits of Nederlands, denk ik.
Op de ophaalbrug wordt zoals gewoonlijk druk gefotografeerd. Ik merk op dat zeker drie vaders de focus richten op het trekpontje in de verte. Voor mij is het De Zaan, in gedachten zie ik hier tientallen molens, grote zeilschepen en veel bedrijvigheid op het water. Voor hen is het waarschijnlijk een Anton Pieck plaatje: twee molens langs het water met een trekpontje op de achtergrond.   
Bij de wagenloods met de sjees van de koopman zegt een moeder tegen de kinderen: ‘kijk een arrenslee,’ terwijl de wielen van de sjees toch bepaald niet aan het zicht onttrokken zijn!  Wellicht heeft ze hier bij een vroeger bezoek wel eens een slee gezien anders kan ik het niet verklaren. Hoe dan ook, ik vind het een mooi staaltje van hoe een mens geprogrammeerd kan zijn. Wel vaker bekruipt mij de neiging om in het voorbijgaan niet al te luid maar wel goed verstaanbaar te mompelen: goed kijken, er staat niet wat je ziet!
Op het Zaanse plein kom ik zoals meestal op een zonnige middag ogen te kort. De jeugd loopt, rent, roept en huilt door elkaar. Een vader helpt een jong kind dat een vliegende hollander heeft veroverd. ‘Je voeten zijn te kort,’ hoor ik hem zeggen. Hoe zo: voeten? Het zijn niet de voeten, het zijn de beentjes waar het aan schort, denk ik, terwijl ik nu op mijn beurt lekker zit te gluren. Het is als altijd weer verbazingwekkend hoe behendig basisschoolleerlingen manoeuvreren op de oud hollandse fietsen.
Maar het mooiste volgt even later als ik wat schaduw heb gezocht aan de ronde picknicktafel onder de bomen. Daar hoor ik in mijn eigen moedertaal
-Goa’j morgenoamd nog noa de buurvisiete?
-Kweetnie, kheptsodruk, joh dèwujnieweetn!
-Nou, wiezultwèzie
En toen werd het stil 


woensdag 18 oktober 2017


Met Feijenoord naar het consultatiebureau


De deelnemers aan het internationaal wandelvoetbaltoernooi op Papendal laten op zich wachten. Terwijl we wat grappen maken over wandelvoetbal vult de hal zich plots met een grote groep luid lachende en zich soepel bewegende vijftigers. Het kan niet mis, dit zijn ze. Ik ontwaar de logo’s van Club Brugge, van Schalke 04, van nog enkele buitenlandse clubs en van Feijenoord. ‘Geef mij maar Feijenoord’ roep ik en binnen enkele minuten begin ik voor een grappend en grollend gezelschap aan mijn introductie. Ik vertel ze dat we langs een aantal highlights van het Ned. Openluchtmuseum zullen gaan en onderweg ook even de kroeg zullen bezoeken. Dat laatste maakt de stemming nog vrolijker! 
Maar als ik na ons bezoek aan het boerderijtje uit Harreveld vertel dat het een Amsterdamse kroeg is, moeten enkelen toch even slikken. Mijn belofte dat we daarna een ritje met een antieke tram uit Rotterdam zullen maken, vergoedt echter veel. Eenmaal in de kroeg reikt weldra een hand naar een borrelglaasje, maar dat blijkt vastgelijmd. Ik vertel dat hier nog wel eens wat verdwijnt en dat we daarom alles vast moeten lijmen. ‘Tja, die Amsterdammers, vertel ons wat meneer,’ is de reactie. Als even later ‘geef mij maar Amsterdam’ door de kroeg klinkt, wordt het twee mannen teveel, ze verlaten ostentatief de kroeg. De anderen lachen en een enkeling begint zelfs mee te zingen met tante Leen.
Dan gaan we richting tram. Tot hun en ook mijn verrassing meldt zich uitgerekend lijn 12 FEIJENOORD !! Zeventien mannen grijpen evenzoveel fototoestellen, het trampersoneel staat van opzij toe te kijken hoe ze zich als groep pal voor de tram onder het woord FEIJENOORD opstellen voor de groepsfoto.  In de tram vertellen enkele mannen me dat ze zich lijn 12 nog heel goed herinneren uit hun jeugd, dat ze er zelf in hebben gezeten.

Het museum scoort nog meer goodwill als ik ze even later vertel over de juist gesloten expositie Helden aan de bal. Hoe daar was te zien hoe vele doelpunten uit de Kuip (van Coen Moulijn, Willem van Hanegem en anderen) hebben bijgedragen tot de oranjegekte. Als een soort experiment besluit ik het kruisgebouw met ze te bezoeken. Met Feijenoorders naar het consultatiebureau, dat lijkt me wel wat. En ja hoor, verrast door de wijkzuster, de man in bad, en de andere poppen komt het tot een heel gesprek over het belang van de kruisvereniging. Deze 50 plussers weten zelf nog van het bezoek aan het badhuis, van TB-krasjes, van het lenen van bedklossen en ondersteken. Een paar keer hoor ik: ik vind het hier wel interessant. En iemand zegt: ‘wat hebben ze dit verdomd goed nagemaakt’, waarop ik voor de derde keer vertel dat alles in het museum echt is en geen namaak!
In de Tilburgse huisjes komen ze daarna ogen te kort. En passant zegt een duivenliefhebber wel te kunnen voorzien in de blijkbaar ontvreemde duivenklok. Natuurlijk gaan we nog langs de brouwerij, (hun volgende wedstrijd zal pas morgen zijn), en daarna nemen we als echte vrienden afscheid in Budel. In de beslotenheid van dat boerderijcafé vraagt de aanvoerder een applaus voor de gids. Het klinkt alsof ik in De Kuip sta!