zaterdag 7 april 2018




Leve onze varkens

Het is stervenskoud. Ze hebben een familiereünie, zo blijkt. Als ik voorstel maar een beetje in de beschutting van de bomen te blijven vinden ze dat prima.  ‘Maar gaan we wel naar de caravan van opa?’ vraagt iemand.  ‘De caravan van opa?’ vraag ik verrast. ‘Wie van u was dan het tienermeisje dat haar k… tegen de krib keerde en niet meer mee wilde naar die oude caravan? En die hem in de aanbieding deed bij het openluchtmuseum?’ Maar dat verhaal kennen ze niet. Toch moet hier de caravan van opa staan. Dat is vaak verteld in de familie. ‘Ze hebben hier toch een soort van camping ingericht? Daar staat die caravan van opa.’ ‘Nou, een camping is wel een beetje veel van  het goede,’ zeg ik, ‘maar er staat hier wel een caravan, een oude Pemberton,  de eerste import van caravans uit Engeland. Dat was na de wederopbouw. Toen wilde men in het weekend de nieuwbouw en de flats wel graag verlaten om met de DAF naar de camping te gaan. Deze stond op een camping in Nunspeet.’ ‘Nee, dat klopt niet,’ zeggen ze.
Even later naderen we het boerderijtje uit Beltrum. Vandaar wijs ik naar de caravan. ‘Nee dat is hem niet, die van opa was bruin.’ Dan hoeven ze er ook niet heen en we vluchten vanwege de kou gauw Beltrum binnen.
Bedstee, erg klein, zittend slapen, strozakken, natte luiers, open vuur, ongezond, weduwe Gesina Konninger die achterbleef met zes kinderen. Iemand wijst op het wijwatersbakje naast de deur naar de deel. ‘Die hing bij ons in de slaapkamer.’
Op de deel vraag ik Maaike en Jasmijn welke dieren hier in de boerderij waren, en wat voor geluiden die maakten. Maaike weet koeien, kippen, schapen en varkens te noemen. En kleine Jasmijn weet feilloos de bijbehorende geluiden te maken. Zo brengen we de boerderij een beetje tot leven. ‘En het paard dan?’ We vinden met ons allen geen plek voor het paard, maar er staat wel een kar waar een paard voor gespannen moet worden. De oplossing: dit was een arme boer, die af en toe werkte bij andere boeren en dan ook wel eens het paard mocht lenen. Maaike gaat even in het span staan om voor paard te spelen en Jasmijn bootst nog steeds het geluid van de varkens na.
Terug in de woonkeuken probeer ik wat begrip te kweken voor moeder Gesina met haar koters. ‘Zie je het voor je, zo’n stel kleine kinderen? Probeer die strozakken eens droog te krijgen en de natte kleren hier te drogen.’  Ik moet er niet aan denken, hoor ik een van de vrouwen zeggen.
Even later bij de rosmolen in Kadoelen probeert Maaike weer voor paard te spelen, hebben we het uitgebreid over het karnen van de boter en bewonderen we echte varkens! Ze zijn er niet bij weg te slaan. Slachtdag? Slachten? Dieren om op te eten? Boterhambeleg? Albert Heijn? Nee Dat is heel iets anders! Het wordt een boeiend gesprek.
Leve onze varkens, betere hulpmiddelen kun je je bij extreme weersomstandigheden als rondleider eigenlijk niet wensen!

vrijdag 23 maart 2018



Rondje Nederland

Het is koud, heel erg koud. Op de website van CIKO de Arnhemse hardloopvereniging, hebben ze extra adviezen geplaatst over hardlopen bij extreme kou.
Vandaag wordt Rondje Nederland gelopen, een loopfestijn door en rondom het Nederlands Openluchtmuseum.  Voor mij als hardloper annex rondleider eigenlijk een verplicht nummertje. Maar die kou!  Zal ik wel – zal ik niet?  Uiteindelijk hak ik de knoop door, hijs me in mijn thermohemd, pak snel handschoenen en een muts, en begeef me op weg.
Ik parkeer op invalidenplaats, dichtbij de ingang, (invaliden komen toch niet met dit weer, zo spreek ik tot mezelf, helemaal fout natuurlijk, maar ik doe het toch).
In het entreegebouw is het een drukte van belang. Dat verrast me. Heb ik me zo laten meenemen door de gevoelstemperatuur van Gerrit Hiemstra en hoe ze allemaal mogen heten?
Inschrijven, graaien naar papier en pen, en duwen bij de sta-tafeltjes. Dan het omkleden in dezelfde hal en het gepruts met natuurlijk weer die kleine veiligheidsspelden. Waar laat ik nou mijn tas? De kluisjes zijn allemaal bezet. Hé hallo, ik ben rondleider, denk ik, moet ook ik dan mijn tas hier in deze meute onbeheerd achterlaten? Ik ga naar boven, naar Marjan, die werkt altijd op zondag. ‘Ja hoor,’ zegt ze met een glimlach, ‘zet je tas hier maar neer.’ ‘Ach, wat ben je toch een goeierd,’ zeg ik. Dan doet ze er nog een schepje bovenop: ‘zet hem maar daar boven op de kast!’
Ik ga inlopen. De kou valt wel mee. Nog even naar het toilet. Het invalidentoilet van wat zonder twijfel het duurste toiletgebouw van Arnhem is. Over geen enkel gebouw in het museum krijg ik zoveel opmerkingen van bezoekers als over dit gebouw tussen Varik en Hoogmade. (Ja, zeg ik altijd, neemt u van mij aan er is echt zwaar over vergaderd en over nagedacht, maar dit terzijde.)
Opgelucht dribbel ik terug richting start. Daar tref ik Nikele en Petra. Ze herkennen me als van het museum. ‘Hé, jij ook? Wat loop je, de vijf?’ Nee, haast ik me te zeggen, de tien! (met een gezicht van: kom zeg, wat denk je wel? Ik loop al twintig jaar hoor!) Oh, daar kijken ze van op. Nikele belooft me een liter Jubileumbier als ik hem uitloop. Oké, zeg ik verheugd,  tot over een uurtje dan! En ik denk: die is binnen!
Het startschot knalt en de meute rept zich langs de weide richting achteruitgang van het museum. Ik loop kalm naar boven, want ik ken dit vals plat maar al te goed. Het eerste rondje gaat goed, ‘blijven inhouden’ houd ik mezelf voor. In het tweede rondje ga ik vijfmaal dood. Jonge, wat heb ik conditie ingeleverd na twee jaar veel minder kilometers te hebben gemaakt. Maar uiteraard: de medaille!  Net binnen het uur. Ik heb 8 à 9 minuten ingeleverd t.o.v. vorige jaren. In loperskring weten we dat dit echt een heel groot verschil is. Maar al na een paar minuten voel ik me wonderwel hersteld. Ik tel mijn zegeningen, én mijn fles jubileumbier, door Tanya van de winkel nog eens mooi ingepakt ook! Boven vraagt Marjan of ik hem heb uitgelopen. ‘Ja natuurlijk!’ ik doe mijn best het zo natuurlijk mogelijk te laten klinken.
Maar ik moet toegeven: Nikele en Petra kon ik toch niet bijbenen. Kwestie van jaarringen, zullen we maar zeggen.  


woensdag 7 maart 2018



Het kan verkeren



Ja,het kan verkeren: een man heeft zich boven een vuurtje een reiger bereid. De geroosterde poten van het beest zijn opgenomen in de collectie ‘objecten met een verhaal’ van een  museum in Den Haag. Meneer zelf – naar ik las een Rus -  is na de maaltijd opgepakt door de vreemdelingenpolitie omdat hij zich niet kon legitimeren.  Maakt u zich geen zorgen over de opgegeten vogel, diens leven was al ‘voltooid’ toen hij door meneer werd aangetroffen.
Het leven van onze dieren gaat deze winter trouwens niet echt over rozen. Neem de paarden in de Oostvadersplassen, ze sterven weliswaar een ‘natuurlijke dood’ door de ijzige kou, maar wel binnen hekken. En tja, wat moet je daarvan vinden? En de veelbekeken damherten in de Amsterdamse waterleidingduinen, wat moet je daarvan vinden? Ze worden gewoon afgeschoten, gemiddeld 80 per week. Afschieten is volgens mij heel onnatuurlijk, maar ik hoor er geen herrie over. En dan nog al die edelherten en zwijnen op onze Veluwe. Dankzij plenty afschotvergunningen houden die in elk geval de jagers van de straat, zullen we maar zeggen. En dan hebben we ook nog de Gallowayrunderen in de Maasvallei. Ook afgeschoten, maar wel gegeten als wildernisvlees, dat dan weer wel. Ik kom er niet zo goed uit. Wat zou Marian Thieme van dit alles vinden?  En dan heb ik het nog niet eens over het Lam Gods. Dat heeft te lijden heeft onder droogte. Ja, dat stond in de krant. U weet wel, het Lam Gods van de gebroeders Van Eyck.  
Er wordt wat afgeschoten in deze wereld. En de ziekenhuizen openen aparte afdelingen  spoedeisende hulp voor ouderen, zo lees ik. Ik denk er het mijne van, ik ben ook 55 plus. Maar het stemt me gerust te weten dat de jagers met het huidig aantal afschietvergunningen voorlopig de handen nog wel een tijdje vol hebben.


vrijdag 12 januari 2018



Melle op het ijs

 Het is de laatste vrijdag van het jaar. Om 10.45 uur is de parkeerplaats van het museum  al driekwart vol en bij de ijsbaan is het een drukte van belang. Het personeel is op volle oorlogssterkte. Ze verwachten duizenden mensen. Bij de uitgifte van schaatsen zijn drie collega’s druk in de weer. Er staat een lange rij hunkerende liefhebbers. Bij de inname staan twee collega’s de schaatsen schoon te vegen, een derde plaatst ze terug, nauwkeurig op maat.
Op het terras proberen kinderen stampend en wringend hun schaatsen aan hun voeten te krijgen. Moeders, met dikke sjaals om hun hals geknoopt want het is koud, helpen een handje, voorover gebukt vanuit hun stoel. Na enig vergeefs proberen zakken de meesten tenslotte toch met een zucht op hun knieën ter verdere assistentie. ‘Even wachten Lonneke,’ zo klinkt het als een kind zich in beweging zet, ‘mama moet zelf nog schaatsen aandoen!’ Ik sla het tafereel gade, het is een hele bevalling. Dikke winterkleding, sjaal, muts, handschoenen. Langs de reling ploetert een donker gekleurde moeder met twee dochters, alle drie houden ze zich krampachtig vast aan het hout. 
Ik begeef me naar de krabbelbaan in de verwachting dat het daar wel rustiger zal zijn. Maar daarin vergis ik me, het lijkt een potje met pieren.  Kleine Melle schuifelt millimeter voor millimeter achter een schuifhertje. Papa moet weg, zo verordonneert hij. Gedwee verlaat papa het ijs. Duidelijk verdwaasd door alle drukte rondom hem schuifelt het joch voetje voor voetje verder.  ‘Gaat het?’ roept papa. Melle beweegt zijn hoofd maar ziet niets. Uiteindelijk komt hij met zijn hertje in een hoek terecht. Daar blijft hij het hertje tegen de planken duwen. Papa buigt zich over de reling: ‘zal ik het hertje even goed zetten?’ Nee, schudt Melle, typisch een geval van zelf doen! Papa berust in zijn lot als toeschouwer.
Maar het hertje wil niet meer. De teleurstelling incasserend laat Melle het dan maar los. Tja, voor zo’n jong kereltje is het leven hard, denk ik. Op eigen kracht schuifelt hij zowaar wat streekjes op zijn dubbele ijzertjes. ‘Blijf staan,’ roept pa, ‘ik kom eraan!’  Maar bij zijn zoontje gekomen heeft een ander kind zich inmiddels over het hertje ontfermd. ‘Wil je niet meer?’ vraagt pa in de veronderstelling dat zijn zoontje van het ijs af wil. Maar dat blijkt toch niet helemaal de bedoeling. Weifelend wijst Melle naar het hertje dat inmiddels steeds verder van hem weggevoerd wordt. ‘Nee,’ zegt pa, ‘nu mag een ander kindje.’ Dan verschijnen de waterlanders op zijn gezichtje. Een koud handje aan een armpje waaronder een handschoen bengelt aan een touwtje, wijst vertwijfeld het hertje na. Het andere handje aan het andere armpje wordt door papa’s hand meegetroond richting zijkant van het ijs.  Ik besef dat ik getuige ben van een drama, weliswaar op microniveau, maar toch, voor Melle een drama. Hij wordt weggeleid van een wereld die hij millimeter voor millimeter bezig was te ontdekken.
Later zie ik hem in het Canon Café in de weer met zijn eigen bekertje met drinktuit. Hij is nog te klein om uit een grote-mensen-beker te drinken. 
Als opa volgend weekend op bezoek komt en hem vraagt wat hij wil worden, zal hij – zeker weten – antwoorden als eens het ventje uit de reclame: ‘boer, én schaatser!’ Maar ik betwijfel of er nog pindakaas op het aanrecht staat.


zondag 17 december 2017


Zonder wifi op een camping


Bij de Tilburgse huisjes in het museum. Meestal slalom ik er door. Als je het vierde huisje aan de achterkant betreedt, dan ga je dus ook het tweede huisje via de achterdeur binnen. Vaak vertel ik dat het is bedoeld als modelwoning van de wijkzuster. Die hebben we dan al gezien bij het kruisgebouw. De woning geeft het tijdsbeeld van rond 1950. De tijd van de wederopbouw, maar ook de tijd van toenemende aandacht voor hygiëne.  Bij haar ronde langs de zieken liet de wijkzuster niet na te wijzen op het belang van een schoon aanrechtblad, een schoon gedweilde vloer, op het voordeel van oliestook boven kolen, enzovoort. En de bedompte bedsteden waren haar natuurlijk een doorn in het oog. Elke tot kast vertimmerde bedstee, elk doorspoeltoilet en elk ledikant zal ze met vreugde hebben verwelkomd! Als de wijkbewoners  bij haar kwamen vragen of ze even de telefoon mochten gebruiken dan aanschouwden ze dit alles met eigen ogen. Want als vooraanstaand persoon bezat zij natuurlijk als een der eersten een telefoon.
Vooraanstaand, zegt u? Jazeker! Jonge meiden met pit hadden ook na de oorlog nog weinig kansen. Een plattelandsmeisje kon het dorp eigenlijk alleen maar ontsnappen door voor verpleegster te gaan leren. Dan moest ze intern (bij de nonnen of de diaconessen) in een verpleegstersflat bij een ziekenhuis in de stad. Oké, ze moest er wat voor over hebben, maar later als verpleegster was ze iemand! En de meiden die echt iets wilden deden daarna nog ‘de wijk’, ze behoorden dan met de dokter, de pastoor/dominee, en de onderwijzer zomaar tot de notabelen van het dorp. Als wijkzuster was ze een rolmodel en de inrichting van haar woning was vanzelfsprekend een afspiegeling daarvan. Linoneum op de vloer, behang aan de muur, een geiser boven het (schone!) aanrechtblad en zelfs telefoon in huis! Ons derde Tilburgse huisje getuigt hiervan.
Toch kreeg ze haar loon nog cash uitbetaald in een papieren zakje. Om het op haar spaarrekening te zetten moest ze naar het postkantoor, en misschien reed ze op haar solex of Berini wel eens naar een camping op de Veluwe of in de Peel. In die tijd was er nog geen sprake van festivallisering van de zomers en van vliegvakanties had nog helemaal niemand gehoord. Een partijtje badminton op een camping verscholen in het groen, was al heel wat.
Eens toen ik dit vertelde vulde een bezoeker aan: ‘Ja, en wie weet, misschien wel met de jonge dokter van een naburig dorp!’
Terugfietsend naar huis zie ik voor me hoe ze diep voorover reikt naar een shuttle en die al kirrend terugslaat buiten bereik van de jonge arts, of nog leuker: precies mikkend op diens lijf.
Wat een tijd: zonder wifi op een camping!


maandag 27 november 2017


Kleine mannetjes

Ik heb een tijdje last van mijn knie gehad. Niet zo ernstig hoor, maar als ik een eindje ging hardlopen had ik er de volgende dagen last van.  De fysiotherapeut heeft er een mooie naam aan gegeven retropatellaire chondopathie, en ik heb me op zijn advies bij een heuse podoloog een paar specifieke antipronatiezolen laten aanmeten. Ik heb ze inmiddels ook in mijn gewone schoenen. Dat voelt wel goed. Maar bij inspanning bleef ik toch last houden. Daarom besloot ik een paar weken helemaal niet hard te lopen. Dat gaf de tijd om op zaterdagochtend terwijl mijn loopmaatjes door de bossen holden uitgebreid de krant te lezen. En ik moet zeggen dan lees je nog eens wat (al gingen mijn gedachten toch steevast naar het bos en de hei). Ik las bijv. een leuk stukje over kleine mannetjes. Er zijn er nogal wat: Poetin, Berlusconi, Hollande en ook Sarkozy: allemaal aan de kleine maat. Dat soort kereltjes  zoekt blijkbaar compensatie in macht. En als ze aan de macht zijn blijven ze streven naar omhoog. Sarkozy bijv. ging stiekem op zijn tenen staan toen hij op de foto zou met voormalig president Obama. Ja, het schijnt echt gebeurd te zijn. Berlusconi pakte het beter aan, die ging bij groepsportretten gewoon op een voetenbankje staan! Ze schijnen ook geneigd te zijn om als ze de kans krijgen wetten te veranderen zodat ze langer aan de macht kunnen blijven. Poetin is daar handig in. Psychologen noemen dit ‘het Napoleonsyndroom’, zo las ik. Meneer Napoleon schijnt ook erg aan de kleine maat geweest te zijn.
Kleine mannetjes, ik ga er eens op letten, dacht ik. Dat deed ik dus toen ik onlangs een foto van een anti-zwarte pieten comité onder ogen kreeg. En wat denkt u? Inderdaad, aan de korte maat! Daar zijn we dus lang nog niet van af…! Nu ik dit tik bedenk ik dat ik in onze loopgroep ook eens letten moet op de lengte van sommigen die zo graag hun loopmaatjes het snot voor de ogen draven.  Het zou me niets verbazen als…
Ik las ook over de Hema. Die wil haar winkelformule meer bij de tijd brengen door de onderbroekjes voor kinderen genderneutraal te maken. De aanduiding meisjes of jongens wordt geschrapt! Hoe correct kun je zijn in je taalgebruik! De conducteurs van de NS moeten na 1 januari het ‘dames en heren’ vervangen door ‘beste reizigers’. En ik las dat we nadrukkelijker naar ons witte lichaam moeten kijken want we beseffen veel te weinig dat we wit zijn, en dat dat heel veel complicaties heeft. Dit en nog veel meer las ik in de weekendbijlagen van ‘misschien wel de beste krant van Nederland’. Waar zouden dan de andere kranten hun bijlagen vol mee schrijven, zo vraag ik me af.

Hoe dan ook, ik dank God op mijn blote knieën dat Hij/Zij (invullen naar believen) mij groot heeft geschapen. Ik zal geen poging doen om wetten te veranderen om langer mee te kunnen doen. Ik ga gewoon weer hardlopen. Ook effectief, toch?

maandag 13 november 2017

#Metoo


Geruime tijd geleden hadden we een afspraak gemaakt. Ik had er vaak aan gedacht en nu was het zo ver. Ik toog naar de afgesproken plaats, een beetje gespannen voor wat komen zou.

Ik stond even om me heen te kijken  - zoals iedereen in zo’n situatie, naar ik denk – toen ze aan kwam lopen. Ze stak haar hand uit en noemde vragend mijn naam. ‘Ja dat ben ik,’ zei ik. Kom maar met me mee, zei ze. Een frisse verschijning van rond de dertig, gekleed in voornamelijk wit. Ze draaide zich kordaat om en liep voor me uit. Eenmaal in haar kamer liet ze er geen gras over groeien. Ze was nieuwsgierig naar mijn geboortedatum. Moet dat nou, dacht ik nog, we hadden toch afgesproken, waarom dan dit gedoe? En toen maakte ze me zonder blikken of blozen duidelijk dat ik mijn broek maar uit moest doen. Nu kun je er in deze tijd van #Metoo natuurlijk op wachten dat het jou ook een keer zal overkomen, maar dit vond ik toch wel een beetje erg recht door zee.
Maar wie A zegt, - ik had immers zelf de afspraak gemaakt - moet ook B zeggen en dus begon ik ietwat onzeker met mijn handen aan mijn riem en aan mijn knopen te frutselen. Ze zei verder niets en ging zitten. Toen ik mijn broek uit had wees ze naar een lege stoel, daar kon ik hem wel opleggen. Zonder broek keek ik wat onzeker naar mijn sokken, ze zag het en zei: hou die maar rustig aan, ga maar zitten.
En terwijl ik daar zat in mijn onderbroek kwamen er nog een dame en een man. Allervriendelijkst moet ik zeggen, maar toch, ik had gerekend op een één op één ontmoeting, en nu zat ik hier in mijn onderbroek tegenover drie paar belangstellende ogen. Ze vroegen me of ik wilde gaan staan en zeiden tegen elkaar dat het er eigenlijk best goed uitzag.  Dat was niet nieuw voor me. Nog vorige week had ik gehoord dat ik er voor mijn leeftijd goed uitzag, maar toen hoefde ik daar niet mijn broek voor uit te doen.
Het gebeuren zelf verliep prima, op het eind wilden ze nog een fotosessie. Daarvoor werd ik naar een andere kamer genodigd, waar twee andere dames me opwachtten. Ook zij vroegen me uit de broek te gaan. Een van de twee boetseerde me in de juiste stand, ging vervolgens samen met de ander staan kijken achter glas, en ze drukte af. Drie foto’s in drie verschillende standen. Toen mocht ik mijn  broek weer aan en teruggaan naar de eerste locatie waar we de foto’s zouden gaan bekijken.
Ik was zo benieuw en opgewonden, dat ik zelfs moeite had de plek terug te vinden. Maar het duurde niet lang of we stonden met ons drieën naar de foto’s te kijken.
Met een tevreden gevoel en een hele ervaring rijker verliet ik wat later het pand. Ze hadden verzekerd dat er niets ergs aan de hand was. Mijn knieschijf heeft een beetje veel speling, dat kan soms lastig zijn, maar: blijf vooral fietsen en lopen, was hun advies. Oké, zei ik, zal ik doen!

En op weg naar de auto dacht ik: tel je zegeningen!