zaterdag 23 juni 2018



Josephina en andere oldtimers 

Het was Vriendendag, het was Vaderdag en het was het weekend van de oldtimers. Dat betekent drukte en dat was te merken! Om 10.45 uur toen ik mij meldde voor een rondleiding met een groep bezoekers uit China, was de hal zo goed als leeg. Een meisje van een jaar of tien oefende er naar hartenlust haar radslag. De hal bood er alle ruimte voor. Ieder die de hal betrad focuste meteen op de oldtimers aan de andere kant van de glazen pui. Toch liep ik in die bijkans lege hal zowaar iemand tegen het lijf die ik daar niet had verwacht: Tante Stien van ons Amsterdamse café! Zichtbaar in de war (door al die oldtimers voor haar deur?) hing ze een warrig verhaal op: haar man en een deuk in de bumper van hun auto, het had ook te maken met een glaasje op en met blij dat ik rij. Dat je dat niet zou moeten willen, en een riedel over de solex van haar zus en over vakantie. Het mens was behoorlijk in war.
Later kwam ik haar op een solex achter in het park nog een keer tegen. Het spatbord met touw vastgemaakt – gasten adviseerden haar tie-wraps maar daar begreep ze niets van – en haar handtas was bijeengehouden met behulp van hansaplast pleisters. Ze leek zo weggelopen uit de vijftiger jaren.
Wachtend op mijn gasten uit China, kwam ik nog een bekende tegen, eveneens op een solex: zuster Josephina! Ik had haar al een jaartje niet meer gezien en verheugde me op een plezierig weerzien. ‘Ha zuster, wat leuk u weer eens te ontmoeten! Hebt u even een pleister voor me, ik heb mijn elleboog een beetje geschaafd.’ Antwoord: ‘nee ik ben niet van de pleisters, dat doet zuster Lietbertha, ik ben alleen voor een goed gesprek…!’ Wat er met die religieuzen van tegenwoordig aan de hand is weet ik niet, maar ze zijn niet meer zoals vroeger. Overigens zag ze er in haar fris gesteven witte schort uit als om door een ringetje te halen, dat dan weer wel, een plaatje in het park! Geef me nog een paar van die nonnen, ik ruil er met graagte al die oldtimers voor in! We zijn immers milieubewust, houders van green key, gold! Maar ja, zonder pecunia gaat het niet, en oldtimers leveren vandaag-de-dag meer poen op dan nonnen, dat begrijp ik ook wel. En trouwens: als we onze missie  - het dagelijks leven tonen zoals dat was in al haar facetten – willen voortzetten, dan horen daar die door mij vermaledijde oldtimers ook bij, ik weet het. Maar mijn voorkeur gaat uit naar de nonnen! En naar dat echtpaar waarvan de vrouw niet moe werd haar zelf gebreide badpak te showen aan het publiek. Hoe dat als het eenmaal nat was, uitlebberde en hoe het kruis dan ergens tussen je knieën bengelde.  En ook het bovenstuk bleek dan gezakt, en hoe moeilijk het dan was netjes uit het water te komen… Ze was zichtbaar blij dat het vandaag geen goed strandweer was. Ik zag steeds opnieuw mensen ongelovig starend, ademloos staan luisteren, om dan met open mond elkaar aan te kijken: heb jij ook gehoord wat ik hoorde?
Doe mij nog maar een aantal van die figuren, met hen ‘maak je geschiedenis mee!’ En dat is hier precies de bedoeling, toch?




zondag 10 juni 2018




Toiletgang met een glimlach


Afgelopen week vond de presentatie plaats van mijn nieuwe bundel ‘Een rondleider vertelt’. Na ‘mijn man was een stoepschijter’ is dit de tweede bundel over achtergronden en wetenswaardigheden uit het Ned. Openluchtmuseum. Maar vooral ook over bezoekers uit allerlei windstreken en van allerlei pluimage, en niet te vergeten natuurlijk allerlei vertrouwelijkheden die ze me toevertrouwen. Want zo mag je het toch wel noemen als iemand je zegt: weet u, mijn man was een stoepschijter! Of die conducteur die zegt: ik ben dan wel opa maar van binnen nog heel jong! (Waarop een klein meisje roept: ‘dat is niet zo, hé mama, dat zegt hij maar!’)
Ik heb er alle vertrouwen in dat ook de tweede bundel zijn weg zal vinden tot op de stranden in Griekenland en tot op … ja bedenk het maar. Enkele weken geleden stond ik na afloop van een kerkdienst in een stand van Amnesty International, komt er een man naar me toe en vraagt: bent u Gerard B.? Vervolgens zegt hij: ‘ik lees elke dag als ik op de plee zit een van uw verhalen, ik heb het boekje bijna uit. Komt er nog een tweede boekje?’ Ik zeg: ‘nou meneer, dan wordt u op uw wenken bedient! Het ligt al bij de drukker.’ Ik hoop dat meneer inmiddels weer met hernieuwde vreugde zijn dagelijkse toiletgang geniet. Want zeg nou zelf: toiletgang met een glimlach dat is toch wel het minst dat je iemand kan toewensen, toch?
Het is me wat met die verhaaltjes. Van veel lezers hoorde ik dat ze een verhaaltje lezen voor het slapen gaan. De verhaaltjes hebben menig slaapkamerdeur of nachtkastje geopend, naar ik weet. Nu blijken ze dus ook de deur van het kleinste kamertje te openen. Ik vind het allemaal prima, als de verhaaltjes gelezen worden dan stemt me dat tevree, en als ze mensen bovendien helpen bij hun meest elementaire behoeften als slapen en … nou vult u maar in, dan stemt me dat dubbel tevree. Ik heb wel eens gedacht aan een reclameslogan in de trant van: ‘verhaaltjes voor op de camping’ . Maar het blijken dus verhaaltjes voor op het nachtkastje en op het toilet.
Ik geloof dat ik maar eens contact ga zoeken met de firma Popma Toiletpapier. Wordt het chateau in Frankrijk misschien toch nog eens werkelijkheid…!


zondag 13 mei 2018



Dubbele gevoelens

Een mens maakt wat mee. Nog op het voorplein ontmoet ik een collega. ‘Ga je naar de bijeenkomst?’ ‘Ja, na alle geruchten wil ik het nu wel eens horen uit de eerste hand.’ ‘Ik ben vanmorgen geweest, ‘die en die’ zijn boventallig verklaard, en ‘die ook’…’ Er komen bezoekers, ons gesprek stopt. Ik loop door richting Kasteelboerderij.
Daar hoor ik even later waar het allemaal om ging én om gaat. Onze missie, de collectie, de afspraken met het ministerie: dat blijft allemaal als een paal overeind. En: we blijven uitgaan van de bezoekers, die staan centraal. Ja, ik snap het, en ik had het verwacht. Dan de mededeling over 36 boventallig aanzeggingen. Boem!! Die komt aan!  Meteen voel ik dubbelheid over de klap voor de 36 en de opluchting voor velen. En die toch weer getemperd door wat directe collega’s overkomt.
Onze Willem vertelt verder, er vervallen functies, er ontstaan functies, boventalligen  (naar ik begrijp vanaf nu een nieuwe categorie naast medewerkers en vrijwilligers)  kunnen daarop solliciteren. Een aantal zal dus zeker terugkeren. Gelukkig maar.
Ook voor ons vrijwilligers blijven er een hoop vragen en bezorgdheden:  hoe moet het straks, hoe gaat het straks, wie lost dit op, wie lost dat op?  En kennen ‘zij’ ons werk wel? En wie worden die ‘zij’? En hoe moet het met ‘die en die’, die boventallig zijn?
Willem vertelt ook mooie dingen. Ik onthoud ‘de collectie is blijvend, wij zijn passanten.’ Dat vind ik een mooie.  Evenals die over de bezoekers, die blijven centraal staan, wat er ook gebeurt. Ik zie het voor me als ik de bijeenkomst verlaat. Her en der lopen bezoekers, gastvrouwen en –heren zijn aan hun werk. In de entree is het business as usual. Maar schijn bedriegt, ... of verbeeld ik me dat?
Terug naar huis verbreed ik Willems uitspraak tot ‘het museum is blijvend, wij zijn passanten.’ Ik herinner me de intentieverklaring met het Dorp ( u weet wel: van ons aller Mies), we krijgen typerende jaren zestig gebouwen die perfect passen in de gewenste uitgroei. Twee dagen na de bijeenkomst opent prinses Margriet ‘We gaan naar Canada’ een nieuwe expositie over de naoorlogse emigratiegolf.  En in ons communicatieblad lees ik over een vakantiewoning met vele verhaallagen over Jodenvervolging, onderduiking en verzet.
Ja we zitten vol plannen, we stomen verder, de toekomst tegemoet. Maar die dubbelheid, die blijft nog wel een tijdje, en die moeten we maar niet verdringen. Toch?


zondag 6 mei 2018



De zweep erover

 5 mei 2018  Het is stralend weer. We lopen naar het herdenkingsmonument bij de Emmapyramide. Even staan we stil. Een krans en bloemen van een scoutinggroep. Het valt op hoe jong de mannen waren die hier zijn doodgeschoten. Het waren meest twintigers. We denken ook aan de vader van Jo Pessing, gefusilleerd achter het Openluchtmuseum bij de tunneltjes onder de A-12.
We lopen verder, zullen we naar het Duitse Dorp? Twijfel, Duitse Dorp, wat is dat? We gaan door, onduidelijk waarheen. Wat later komen we uit bij de restanten van het Duitse Dorp.   De ‘nieuwen’, nou ja de instroom der laatste jaren, (zo ongeveer de helft van deze zaterdagse club!) weet van niets en struint erop af.  Luftwaffe? Kustverdediging?  Deelen, daar zaten ze toch ook?  Honderden Duitsers hier?  Ik voel me oud bij zoveel groentjes.
Dan leidt Geertjan ons langs de brandtoren de hei op. Even verder kiest hij een smal pad naar rechts. Hier lopen we niet vaak.  Het kronkelt op voor mij onbekende wijze, maar we volgen gedwee onze leider. Hij kiest nogmaals rechts en dan plotseling loopt het pad dood. We zwaaien naar Kees dat hij niet moet volgen maar rechtdoor kan.  Nu loopt hij voorop, wij volgen, verder en verder, het pad wordt smaller en smaller. ‘Ga jij maar voorop,’ zegt Kees tegen mij, ‘ik weet het hier niet zo goed.’ Tja, wie weet het hier wel? Het wordt een heel avontuur, onder stralende zon, dat wel.  We proberen nog even te lopen, maar het verandert in wandelen en even verder in stapvoets geploeter door enkelhoge heidesprieten waaronder kuilen en gaten. Onze enkels zwikken naar rechts en naar links.
De achterhoede heeft 50 meter naar links een ‘paadje’ gevonden en passeert ons. Het is voor ons die voorop ploeterden nog een hele toer om daar ook te geraken. Eindelijk bereiken Wim en Geertjan een begaanbaar pad. Als ze omkijken zien ze de hele groep ver uiteen over het paadje verspreid.
We verzamelen en er volgt beraad. Die kant uit is de parkeerplaats, zegt Geertjan. Ja of nee? Ja, we gaan!  ‘Oké, maar dan de zweep erover,’ zegt Wim terwijl hij zich in gang zet. Nota bene op 5 mei, de zweep erover, alsof hij een Führer is…  Maar we volgen wel allemaal.
  ‘5 mei, Führer, en volgen,’ het blijft een tijdje bij me hangen terwijl we over het zand hollen.
Het is nog een heel eind, de groep valt weer  uit elkaar,  bij bochten in het bos kijk ik of de achterliggers oogcontact houden. Uiteindelijk verzamelen we weer op een kruising. Als de laatsten er zijn zetten de Führers het meteen weer op een lopen. Bij het oversteken van de Beekhuizenseweg zie ik dat ons groepje zich in drieën splitst. Sommigen gaan op eigen gezag rechtdoor, de Führers steken schuin over en ik besluit nu het asfalt te volgen. 
Het was een mooie loop, we stonden vaak stil, er was veel afwisseling en we kwamen op stukken nooit bedoeld om op te lopen.   
Aan de koffie wordt er gemord, welgemutst, maar toch: dat er geen duidelijke leiding was, dat iedereen er zich dan mee gaat bemoeien. De roep om een sterke leider klinkt.  Op 5 mei!!
Nee, ik noem geen namen.
Maar het kan nog gekker. In de namiddag hoor ik op de radio dat een groep 5 mei heeft geclaimd als de dag om op te komen voor het recht op… naakt tuinieren!  Ik sta nergens meer van te kijken.
Alhoewel, denkend aan bepaalde mensen ga ik me dan toch beroepen op het recht om daarvan geen getuige te hoeven zijn…En als me dat recht wordt onthouden, zegt u? Nou, dan, wellicht, toch maar: de zweep erover! Dat zal ze – zeker weten – weer op het rechte pad helpen.

zondag 15 april 2018



Moedermelk, met vallen en opstaan 

De hele winter al loop ik met compressiekousen en met een brace om mijn knie, zo ook vandaag. Maar vanmorgen oordeelde ik het te warm voor een lange loopbroek, dus combineerde ik deze uitdossing met een korte. Als ik de groep nader kijken ze me aan alsof ze zoiets nog nooit eerder gezien hebben. Och, zeg ik, er mankeert van alles, mijn ogen, mijn oren, mijn stemband, dit is alleen maar wat je kunt zien…  
Bij afwezigheid van Geertjan heeft Wim vanmorgen de leiding.  Hij loopt voortvarend als een geboren aanvoerder voorop.  Vanaf het kerkhof linea recta naar achteren en dan via de stormbaan links om.
Voor mij loopt … laat ik haar Bea noemen. Ze vertelt Gemma die met haar op loopt dat het zo leuk was, dat ze bij veel verschillende mensen thuis kwam, soms met heel verschillende culturen, en dat ze dan ook wel eens mee moest eten. ‘Ik heb wel eens gedacht: eh, wat eet ik nu?’  ‘O ja?’ zegt Gemma, ‘kun je daar een voorbeeld van geven?’  ‘Nou bijvoorbeeld ooit eens werd de soep vermengd met moedermelk, dat is immers zo gezond. Toen zat de hele familie soep met moedermelk te eten. Op zo'n moment aarzelde ik wel even.’ Gemma wendt vol verbazing haar hoofd opzij en… oef, daar gaat ze ter aarde! Resultaat: een pijnlijke knie. Tja, praten en hardlopen, het zijn me er twee, zullen we maar zeggen.
In de verte – van dit alles geen getuige -  loopt Wim ondertussen dapper verder. Ik kom weer achter Bea te lopen die nu ander gezelschap heeft gekregen. Het duurt niet lang of ze loopt weer druk te praten. En dan, het kan niet uitblijven, is er plots voor me weer iemand die een struikelende beweging maakt en alle zeilen moet bijzetten om overeind te blijven. Tja, praten en hardlopen…
Een eind verder als we over  ‘de bulten’ gaan, zie ik dat het bij Barbara niet meer vanzelf gaat. Een beetje ondeugend vraag ik : ‘Barbara, vind je het nog wel leuk?’  Het antwoord luidt even kort als duidelijk: ‘Nee.’ Maar ze ploetert onversaagd verder. Bij het gaas langs de tuin van het kasteel aangekomen vraag ik empathisch: ‘je weet dat er even verderop nóg iets ligt te wachten he?’ ‘Ja, ik weet het,’ zegt ze terwijl haar houding vastberadenheid uitstraalt. Een echte Bedriegertjesloper: ze zoekt de bulten, gaat ze te lijf terwijl ze weet dat ze pijn doen, én overwint ze.  Zo doet ze dat en zo doen wij dat allemaal, want we zijn Bedriegertjeslopers.
Verder langs het hek blijken de gaten dieper dan ooit,  het wordt een soort hink stap sprong nu niet over de boomwortels maar over gevaarlijke diepe gaten. Zo zie je maar, ken je zo langzamerhand alle parcoursen, liggen ze er toch elke keer weer anders bij.  Het lijkt wel Parijs-Roubaix maar dan voor lopers. Ik hoop dat ergens achter mij ook Bea ongeschonden over dit pad komt.
En ja hoor, het duurt niet lang of daar komt ze.  We scharen ons rond de kofferbak ( onze koek en zopie), we zijn één en al tevredenheid, want : de aanloop langs het kerkhof, de rechte weg naar achteren, het rulle zand van de Tankbaan, het lastige pad langs de golfbaan, de bulten – ja die bulten! – én het ‘toetje’ langs het hek : we hebben het weer verorberd! 
Op naar de douche!

P.S. De meeste namen zijn gefingeerd, de echte namen zijn bij de redactie bekend

zaterdag 7 april 2018




Leve onze varkens

Het is stervenskoud. Ze hebben een familiereünie, zo blijkt. Als ik voorstel maar een beetje in de beschutting van de bomen te blijven vinden ze dat prima.  ‘Maar gaan we wel naar de caravan van opa?’ vraagt iemand.  ‘De caravan van opa?’ vraag ik verrast. ‘Wie van u was dan het tienermeisje dat haar k… tegen de krib keerde en niet meer mee wilde naar die oude caravan? En die hem in de aanbieding deed bij het openluchtmuseum?’ Maar dat verhaal kennen ze niet. Toch moet hier de caravan van opa staan. Dat is vaak verteld in de familie. ‘Ze hebben hier toch een soort van camping ingericht? Daar staat die caravan van opa.’ ‘Nou, een camping is wel een beetje veel van  het goede,’ zeg ik, ‘maar er staat hier wel een caravan, een oude Pemberton,  de eerste import van caravans uit Engeland. Dat was na de wederopbouw. Toen wilde men in het weekend de nieuwbouw en de flats wel graag verlaten om met de DAF naar de camping te gaan. Deze stond op een camping in Nunspeet.’ ‘Nee, dat klopt niet,’ zeggen ze.
Even later naderen we het boerderijtje uit Beltrum. Vandaar wijs ik naar de caravan. ‘Nee dat is hem niet, die van opa was bruin.’ Dan hoeven ze er ook niet heen en we vluchten vanwege de kou gauw Beltrum binnen.
Bedstee, erg klein, zittend slapen, strozakken, natte luiers, open vuur, ongezond, weduwe Gesina Konninger die achterbleef met zes kinderen. Iemand wijst op het wijwatersbakje naast de deur naar de deel. ‘Die hing bij ons in de slaapkamer.’
Op de deel vraag ik Maaike en Jasmijn welke dieren hier in de boerderij waren, en wat voor geluiden die maakten. Maaike weet koeien, kippen, schapen en varkens te noemen. En kleine Jasmijn weet feilloos de bijbehorende geluiden te maken. Zo brengen we de boerderij een beetje tot leven. ‘En het paard dan?’ We vinden met ons allen geen plek voor het paard, maar er staat wel een kar waar een paard voor gespannen moet worden. De oplossing: dit was een arme boer, die af en toe werkte bij andere boeren en dan ook wel eens het paard mocht lenen. Maaike gaat even in het span staan om voor paard te spelen en Jasmijn bootst nog steeds het geluid van de varkens na.
Terug in de woonkeuken probeer ik wat begrip te kweken voor moeder Gesina met haar koters. ‘Zie je het voor je, zo’n stel kleine kinderen? Probeer die strozakken eens droog te krijgen en de natte kleren hier te drogen.’  Ik moet er niet aan denken, hoor ik een van de vrouwen zeggen.
Even later bij de rosmolen in Kadoelen probeert Maaike weer voor paard te spelen, hebben we het uitgebreid over het karnen van de boter en bewonderen we echte varkens! Ze zijn er niet bij weg te slaan. Slachtdag? Slachten? Dieren om op te eten? Boterhambeleg? Albert Heijn? Nee Dat is heel iets anders! Het wordt een boeiend gesprek.
Leve onze varkens, betere hulpmiddelen kun je je bij extreme weersomstandigheden als rondleider eigenlijk niet wensen!

vrijdag 23 maart 2018



Rondje Nederland

Het is koud, heel erg koud. Op de website van CIKO de Arnhemse hardloopvereniging, hebben ze extra adviezen geplaatst over hardlopen bij extreme kou.
Vandaag wordt Rondje Nederland gelopen, een loopfestijn door en rondom het Nederlands Openluchtmuseum.  Voor mij als hardloper annex rondleider eigenlijk een verplicht nummertje. Maar die kou!  Zal ik wel – zal ik niet?  Uiteindelijk hak ik de knoop door, hijs me in mijn thermohemd, pak snel handschoenen en een muts, en begeef me op weg.
Ik parkeer op invalidenplaats, dichtbij de ingang, (invaliden komen toch niet met dit weer, zo spreek ik tot mezelf, helemaal fout natuurlijk, maar ik doe het toch).
In het entreegebouw is het een drukte van belang. Dat verrast me. Heb ik me zo laten meenemen door de gevoelstemperatuur van Gerrit Hiemstra en hoe ze allemaal mogen heten?
Inschrijven, graaien naar papier en pen, en duwen bij de sta-tafeltjes. Dan het omkleden in dezelfde hal en het gepruts met natuurlijk weer die kleine veiligheidsspelden. Waar laat ik nou mijn tas? De kluisjes zijn allemaal bezet. Hé hallo, ik ben rondleider, denk ik, moet ook ik dan mijn tas hier in deze meute onbeheerd achterlaten? Ik ga naar boven, naar Marjan, die werkt altijd op zondag. ‘Ja hoor,’ zegt ze met een glimlach, ‘zet je tas hier maar neer.’ ‘Ach, wat ben je toch een goeierd,’ zeg ik. Dan doet ze er nog een schepje bovenop: ‘zet hem maar daar boven op de kast!’
Ik ga inlopen. De kou valt wel mee. Nog even naar het toilet. Het invalidentoilet van wat zonder twijfel het duurste toiletgebouw van Arnhem is. Over geen enkel gebouw in het museum krijg ik zoveel opmerkingen van bezoekers als over dit gebouw tussen Varik en Hoogmade. (Ja, zeg ik altijd, neemt u van mij aan er is echt zwaar over vergaderd en over nagedacht, maar dit terzijde.)
Opgelucht dribbel ik terug richting start. Daar tref ik Nikele en Petra. Ze herkennen me als van het museum. ‘Hé, jij ook? Wat loop je, de vijf?’ Nee, haast ik me te zeggen, de tien! (met een gezicht van: kom zeg, wat denk je wel? Ik loop al twintig jaar hoor!) Oh, daar kijken ze van op. Nikele belooft me een liter Jubileumbier als ik hem uitloop. Oké, zeg ik verheugd,  tot over een uurtje dan! En ik denk: die is binnen!
Het startschot knalt en de meute rept zich langs de weide richting achteruitgang van het museum. Ik loop kalm naar boven, want ik ken dit vals plat maar al te goed. Het eerste rondje gaat goed, ‘blijven inhouden’ houd ik mezelf voor. In het tweede rondje ga ik vijfmaal dood. Jonge, wat heb ik conditie ingeleverd na twee jaar veel minder kilometers te hebben gemaakt. Maar uiteraard: de medaille!  Net binnen het uur. Ik heb 8 à 9 minuten ingeleverd t.o.v. vorige jaren. In loperskring weten we dat dit echt een heel groot verschil is. Maar al na een paar minuten voel ik me wonderwel hersteld. Ik tel mijn zegeningen, én mijn fles jubileumbier, door Tanya van de winkel nog eens mooi ingepakt ook! Boven vraagt Marjan of ik hem heb uitgelopen. ‘Ja natuurlijk!’ ik doe mijn best het zo natuurlijk mogelijk te laten klinken.
Maar ik moet toegeven: Nikele en Petra kon ik toch niet bijbenen. Kwestie van jaarringen, zullen we maar zeggen.