zaterdag 16 november 2013


Nieuwe look Landgoed Beekhuizen

Haal beleidsmedewerkers binnen en mensen die alles weten van subsidies. Je kunt er vergif op innemen dat dit leidt tot allerlei veranderingsprocessen. Zo ook bij Natuurmonumenten. Het moet gezegd dat die organisatie daadkrachtig de natuur te lijf is gegaan. Het Landgoed Beekhuizen is bij alle ingangen voorzien van prachtig ijzeren hekwerk en mooie bruggetjes. Het voelt alsof je een kasteeltuin betreedt. Via mooi aangelegde ijzeren trappen (in meerdere etages) kunnen we van verschillende zijden de Keienberg betreden op een manier zoals we nooit eerder hebben gekund. En binnenkort wordt ook het uitzicht daar nog ter hand genomen  (de bijl ligt reeds aan de wortel van de bomen).
Het brede goed begaanbare zandpad naar de vijver is vorig jaar reeds vervangen door een fraaie klinkerweg. Via prachtige mooi aangelegde treden kunnen we nu afdalen tot een houten vlonder alwaar we nog wat heen en weer kunnen wandelen boven het water. Het geheel heeft werkelijk allure. Het aantal zitbanken is verdrievoudigd, dus zitplaats voor  meer mensen dan ooit. Aan de andere zijde is de waterval omarmd door twee ruime stalen trappen. Ook daar meer zitplaats dan ooit. Om de nieuwe look te voltooien zijn een tijd geleden al opzij langs de oever grote bomen en veel struikgewas gerooid. Als toppunt is daar nu ook het wandelpaadje onbegaanbaar gemaakt en een tiental meters verderop vervangen door een bredere weg. Over deze weg kunnen nu meer mensen dan ooit gearmd naast elkaar wandelen.
Ruim dertig jaar vertoef ik wekelijks in Landgoed Beekhuizen. Toen de kinderen klein waren hebben we er veel, heel veel gewandeld. Als regelmatig sporter loop ik er al vele jaren mijn rondjes. Wat is Beekhuizen een prachtig gebied, we hebben het altijd als een voorrecht beleefd in de nabijheid daarvan te mogen wonen!
Hoe zou het toch komen dat ik, en naar ik begrijp ook vele anderen, bij het zien van al het nieuwe cultuurgoed (dat inderdaad heel ‘mooi’ is aangelegd)  een nare smaak voel opkomen? Ik loop daar tijdens mijn rondjes elke keer weer over te mijmeren. Ik denk dat het is omdat het voelt alsof ons een stuk natuur is afgenomen dat we van jongs af aan hebben gekend en gewaardeerd. Natuurlijk weet ik wel dat er ruim tweehonderd jaar geleden een landgoed is aangelegd. Maar het gaat bij dit gevoel niet om dat landgoed van acht generaties geleden maar om het park van laat ik zeggen de laatste drie à vier generaties. Het was een mooi parkachtig bos zonder die brede klinkerweg en al dat mooie ijzerwerk. Het was een heerlijk bos met heuvels waar je tegenop moest lopen, waar je soms je tenen stootte tegen boomwortels, met een slootje en een vijver  En met een heerlijk kuierpaadje dat kronkelde om de bomen. Als ik een wens mocht doen dan wist ik het wel: ga op zoek naar subsidies om dat weer te herstellen. Immers, de natuurbeleving van de laatste drie à vier generaties is toch niet minder belangrijk dan die van daaraan voorgaande generaties?
Wat mij betreft kunnen de beleidsmedewerkers en de subsidiedeskundigen weer aan de slag!


vrijdag 18 oktober 2013


 

Hij pakte de koe bij de pissertjes 

Het is koud en winderig op het plein. Slechts enkele mensen hebben zich verzameld bij het bord ‘Vrije Rondleiding’, onder hen een bejaard echtpaar uit Brugge.
-Kent ge dat, meneer, Brugge?
-Ja, dat ken ik. Brugge, dat is zelf één groot openluchtmuseum, toch?
Nou, dat vindt hij een beetje overdreven, maar het is een mooie stad. Hij woont aan de Leie, zegt hij. Als blijkt dat ik wel eens over dat grachtje rondgevaren ben, zijn we vrienden voor het leven. Ik voel dat het niet meer stuk kan vanmiddag en welgemutst begin ik aan de rondleiding. Onmiddellijk onderbreekt hij echter mijn introductie:
-Meneer, bij ons hebben we ook een openluchtmuseum, in Bokrijk, kent ge dat?
-Ja, dat ken ik,wij van dit museum hebben er zelfs gratis toegang, en zij bij ons, maar het wordt hoog tijd dat ik er weer eens heenga.
Meneer is er zelf ook in geen jaren meer geweest, dus we staan op voet van gelijkheid.
We gaan naar ons blauwe boerderijtje, een los hoes. Die term verstaat hij. Maar waar heeft dit gestaan, zo vraagt hij.
-Harreveld, meneer, dat is in het oosten van Gelderland, wij noemen dat de Achterhoek.
-De Achterhoek! Ja dat ken ik, wij hebben daar gefietst. En we hebben ook veel gefietst in Drenthe, het is daar een heel mooie streek, daar kunt ge heel mooi fietsen, weet ge dat?
Eenmaal binnen vertelt hij dat ze zo’n los hoes ook gezien hebben in China en dat het was opgetrokken uit bamboe. Meneer heeft het nodige van de wereld gezien, zo blijkt. Hij vertelt dat ze daar nog een hondenkar gebruikten. Even ontstaat er een spraakverwarring, ik meende dat hij sprak over een hondenkarn en dan zegt hij:
-een hondenkarn?Ja die heb ik ook gezien, de hond liep in een groot wiel! Ik vertel hem dat we er hier ook een hebben staan en dat we die misschien nog zullen zien. En zo probeer ik wat verder de Gelderse hoek in te lopen. Meneer bakt zelf wel eens brood in een oventje en ik begrijp dat hij een boerderijtje heeft gekocht want:
- De kleinkinderen moeten toch weten van vroeger, ze kennen het niet meer, meneer. Ze kennen niet eens een stier! Een van mijn kleindochters vertelde: hij pakte de koeien bij de pissertjes en er kwam melk uit!! Maar die melk lustte ze niet, ze lustte alleen melk van de winkel!!
Ik heb hem verteld dat hij hier maar eens terug moet komen en dan met zijn kleinkinderen naar het kindererf moet gaan.

Wie heeft nou wie rondgeleid?

 

woensdag 25 september 2013


Jeneverneus

Het is de eerste dag van Landleven, een grootschalige happening in het Nederlands Openluchtmuseum. Ik ben gestationeerd in de buurt van het cafetaria om de bezoekersstroom aldaar in goede banen te geleiden. Alles loopt op rolletjes, ik zet me op een bankje en neem me voor enkele gesprekjes aan te knopen.
Al ras komt er een echtpaar naast me zitten. Ze vertellen dat ze naar Burgers Zoo hadden gewild maar we werden zo met de stroom mee geleid naar hier.
Oh dus het was helemaal niet de bedoeling?
Nee, maar dit is ook wel goed.   

Even later komt een mevrouw  met een buggy de trap naar het cafetaria op. In de buggy twee schattig kleine hondjes en een bordje: don’t touch me!
Oh zegt een collega met wie ik sta te praten (ze heeft prachtig vuurrood haar): zo’n bordje wil ik ook!
Hoezo, kunnen ze niet van je afblijven?
Oh dat wil je niet weten joh,  altijd weer: mevrouw zijn uw haren echt? 

Ik verkas naar een bankje bij de toiletten achter het cafetaria. De firma Brandhof heeft 100 meter opzij enkele houtgestookte ovens opgesteld. Een heerlijke geur van ambachtelijk gebakken brood trekt precies over het bankje. Nooit eerder zo’n lekkere geur bij toiletten geroken! Op het bankje naast me zit een vrouw met twee hondjes. Naast haar staat een andere vrouw haar nagels te knippen. Uitgebreid, alle tien krijgen een beurt. Even later krijgen ze een woordenwisseling en al kijvend vertrekken ze. Ik hoor de een tegen de ander zeggen: vervelend kreng dat je bent..
Tja, dagje uit….. 
Op de heuvel bij het weeghuisje zit een man met twee kolossale honden naast zich. (Wat zijn er veel honden vandaag!)Tegen de helling liggen een aantal reeënstangen, damhertstangen en ook ‘reeëngeweien met lange neus’. Weer wat geleerd.
 
In het cafetaria raak ik aan de praat met een drietal bezoekers. Ik vraag waar ze vandaan komen. Ik ben een Jeverneus meneer.
 Hoe zegt u?
Een Jeneverneus.
Als ik niet begrijpend kijk legt ze uit: Schiedam. Dat zijn Jeneverneuzen.
 En wij zijn Boeren, zegt een vrouw, blijkbaar de dochter.
Oh ?
 Spijkenisse, legt ze uit. Vroeger was dat een dorpje, tegenwoordig is het allemaal stad, maar ja, zo’n naam blijft bestaan natuurlijk. Mensen uit Spijkenisse zijn Boeren.
Ik begin het leuk te vinden en probeer de conversatie wat te rekken.
Was u al eens eerder hier geweest?
O ja, zegt Jeneverneus, maar de laatste jaren ben ik afhankelijk van lijn 2 en nu komt er niet meer van.
Lijn 2 zegt u?
Ja, mijn benen. Mijn man is overleden, ziet u.
Ach! Ja dan verandert alles, zeg ik begripvol.
Hij was een Stoepschijter.
Hoe zegt u?
Een Stoepschijter
Oh, zeg ik met mijn gezicht in de plooi.
Hij kwam uit Rotterdam, dat zijn Stoepschijters, zo heten ze daar.
Ja ,ik begrijp het, zeg ik, ondertussen blij dat er geen collega’s bij zitten, want we voeren een serieus gesprek. Ik vertel dat ik rondleidingen geef en wel eens met bezoekers naar de Kruikenzijkerds ga. Weet u waar dat is? 
Ja, zegt de andere Boer, ik denk de schoonzoon: dat is Tilburg, dat ligt in Brabant.
We praten nog wat door over bijnamen en dan zeg ik dat ik aan het werk moet.  

P.S. Wie twijfelt aan het waarheidsgehalte van bovenstaande: het is de waarheid, niets dan de waarheid (deze keer)

 

 

donderdag 12 september 2013



Rabarber 

Ik loop langs de boerderij uit Staphorst en hoor 
plok,plok,plok
plok,plok,plok
Uiteraard ga ik op onderzoek uit.  Eenmaal binnen ben ik getuige van een demonstratie hand-dorsen door de
de Oudheidkundige Vereniging Gendringen geeft een demonstratie hand-dorsen.  Ze wil de kennis van het werk op de boerderij zoals dat voeger geschiedde, levend houden en daartoe ook jongeren vaardigheden aanleren. Zo hebben ze vorig jaar enkele 40 plussers leren maaien met de zicht. ( ‘Jong’ is dus een rekbaar begrip J !)
Dit is belangrijk, aldus de aanvoerder van het gezelschap, want als wij er over 50 jaar niet meer zijn  dan moeten anderen dit kunnen verder vertellen. Hij moet een reuze optimist zijn want hij lijkt me al een zestiger!
Ze leggen links en rechts een laagje rogge,  met de halmen over elkaar.
Drie dorsers knuppelen de halmen met hun vlegels acht keer.
Eén twee drie,
één twee drie
Het ritme is belangrijk, anders raak je elkaar, of elkaars vlegels, zegt de spreekstalmeester.
Eén twee drie,
één twee drie 
Dan wordt de rogge omgedraaid en er wordt nogmaals acht maal gedorst.
Vervolgens worden de halmen die onder lagen nu boven gelegd en herhaalt zich het ritueel: acht maal,omdraaien en nog eens acht maal.
Daarna wordt de gedorste rogge, het stro, met zorg opgeruimd. Want, zegt de spreekstalmeester, ook het stro was kostbaar. Het werd gebruikt als strooisel onder het vee of in de potstal, het was bruikbaar als dakbedekking, of onder dakpannen om ze water of sneeuwdicht te maken, en voor strozakken in de bedstee. Gemengd door leem en met koemest werden er zelfs wanden mee opgebouwd.
Ook de halmen die losgekomen zijn worden verzameld. Er zit altijd nog wel iets in, ze gaan dus naar de kippen die graag een graantje meepikken.
Het is opvallend hoeveel graankorrels zo’n beetje rogge oplevert. De mannen verzamelen het zorgvuldig,  er kan heel wat roggebrood van gebakken worden en het is ook bruikbaar als (meel)voer voor het vee.
Schoon afleveren naar de molenaar is belangrijk. Daarom worden de graankorrels  buiten in de wind met een platte mand omhoog gegooid om het vuil en het kaf van het koren te scheiden.  De wanmolen kwam pas later als een van de eerste voorbodes van mechanisatie.
Jong én oud blijven aandachtig kijken en luisteren, ze raken zichtbaar geboeid door deze ogenschijnlijk primitieve bezigheid.
Maar de sprekerd heeft nog meer wat indruk maakt:
Vroeger moest alles – met de hand!! - gemaaid worden - verzameld - naar de boerderij gebracht -, opgetast  - en gedorst worden. Dagenlang waren ze in de weer.  Nu doet een grote landbouwmachine dit alles in een of twee uur…!!
Wauw!, dat maakt indruk.  Veel geleerd in 10 minuten! 
Aan de andere zijde van de boerderij staat een veertiger met vrouw en kind bij een kleine moestuin. Ik hoor hem zeggen: kool, aardappelen, venkel en  - wijzend op de rabarber - dit zijn wortelen …
Ik ben blij dat de mensen uit Gendringen dit niet horen!

 

zaterdag 24 augustus 2013

 Gastarbeiders ??

Tijdens een vrije rondleiding loop ik met een gezelschap over onze Westerstraat. Het is het stukje Amsterdam waar het openluchtmuseum een postkantoor, een Turkenpension en een Jordaanse kroeg heeft ondergebracht. Ik vertel Monique en Arthur, resp. 10 en 9 jaar (geen familie) dat je vroeger voor van alles en nog wat naar het postkantoor moest. Om te bellen (12 Hollandse guldens voor drie minuten spreken met Suriname of de Antillen!),  maar ook om een rekening te betalen, of om geld op te nemen. Want 30 jaar geleden kon je nog niet pinnen en ook geen geld uit de muur halen. Kunnen jullie je dat voorstellen? Nee, dat kunnen kinderen van 10 zich niet voorstellen: een wereld zonder pinnen…En geld storten, dat hebben ze helemaal nog nooit meegemaakt. Geld stort je toch niet, dat maak je toch even over? Ik vertel ze dat het postkantoor ook voor gastarbeiders heel belangrijk was om pakketten naar huis te sturen. Weten jullie wat gastarbeiders zijn?  Arthur weet het niet, Monique probeert: mensen uit Marokko en verre landen misschien? Ja, jij bent warm, zeg ik.

Na wat uitleg gaan we bij ze op bezoek in het pension. Ssstt, er slapen er nog een paar, zeg ik als we het schemerduister betreden. De kinderen kijken de ogen uit (ook de volwassenen trouwens).  Hierna zou de rondleiding eigenlijk moeten stoppen en zou het klassengesprek over gastarbeid gevoerd moeten worden. Maar helaas, the show must go on, het café wenkt ons. Monique en Arthur kijken verbaasd hoe een aantal volwassenen in de groep (n.b.: Rotterdammers!)  al dan niet dansend de Schlagers van Tante Leen en Johnny Jordaan meezingen. Zo kennen ze hen blijkbaar niet.
 
Onderweg naar de Vinkenbaan zien we in de verte op het land mensen druk in de weer. Papa, wat doen die mensen daar, vraagt Monique. Papa vertelt dat ze aan het hooien zijn. Dan krijg ik een ingeving: weet je wat dat is, hooien? Nee, dus. En hooi, weet je wat hooi is? En zo, al wandelend langs de wei leg ik uit dat gras wordt gemaaid en gedroogd, en dat het in de boerderij of op een grote berg achter de boerderij wordt bewaard voor in de winter, dan is het eten voor de koeien. (Hoezo: rondleiden? Stilletjes denk ik: het is basisonderwijs). 
Ook de Vinkenbaan is onbekend, voor jong én oud, maar daar dat is wel voorstelbaar. Immers, het vinkenslaan is al bijna 100 jaar verleden tijd. Monique vraagt wat ze met die gevangen vogeltjes deden.  Slachten?? Opeten?? Nog zie ik haar ongelovige blik vol afkeuring. Dezelfde blik die ik ook vaak zie als ik uitleg geef bij de hazen achter de kastdeur in Vierhouten.  En zo, wandelend langs de wei, praten we over vlees kopen in de supermarkt en het opeten van dieren. 

Na een klauterpartij in de Delftse molen krijgen we uitgelegd hoe kleine korreltjes van de tarwe worden fijngemalen tot meel. Iedereen weet nu dat brood van planten komt en – staande op de stelling – dat je maar beter geen klap van de wieken kunt krijgen!

In de papiermolen legt de molenaar van dienst nogal nadruk op de vieze, vaak stinkende vodden. Ze moesten eerst uitgezocht, gestampt en gewassen worden alvorens de vezels konden worden opgelost tot een waterige brei. Eenmaal buiten vraag ik aan de kinderen of ze weten wat vodden zijn. Nee dus…  
Zelf ontdekte ik onlangs , nota bene na vele tientallen rondleidingen, dat kinderen niet weten wat een mestvaalt is en ook het begrip mest niet kennen. (En ik maar praten over een waterput naast de mestvaalt!) Eigenlijk zo gek dus niet dat Monique niet wist wat hooi is.  

Misschien moeten we vrije rondleiding maar vervangen door een uurtje basiseducatie. En om het dan wat evenwichtiger te maken kunnen Monique en Arthur mij dan misschien iets uitleggen over iPods en iPads.

 

dinsdag 13 augustus 2013


 

‘Elk nadeel heb z’n voordeel’

Het is zover, eindelijk, eindelijk is het er dan toch van gekomen. Er leek geen einde te komen aan het lange wachten. Nog tijdens mijn wandeling in Spanje leek het er niet op.  Lente? Het leek wel herfst! En hoewel mijn rugzak redelijk aan de maat was, winterkleding zat er echt niet in! Het adagium voor elke wandelaar luidt immers: alles wat je thuis laat is meegenomen. Dat moge zo zijn, maar dit jaar miste ik node een trui. En zo kon het gebeuren dat deze atleet snipverkouden terugkwam uit het land van Sinterklaas en St Jacob.  (Wel net op tijd overigens, de treinramp heb ik thuis bekeken vanuit de fauteuil, maar dit terzijde)

En toen lonkte de Vierdaagse van Apeldoorn: vier dagen struinen door de bossen en wouden van de Veluwe, vier dagen over zand- en bospaden. Een herademing, zo bleek,  na de jaarlijkse drukte en gekte rondom Nijmegen. De eerste dag scheen zelfs de zon en ook de volgende dagen was het heerlijk weer. Goed voor lijf en geest. Dus ik stel voor dat de Bedriegertjeslopers volgend jaar met z’n allen vier dagen rond Apeldoorn lopen. Je hoeft er niet eens dure wandelschoenen voor te kopen want we gaan immers  het hele jaar bos, zand en hei te lijf op onze loopschoenen. Oké, vier dagen bos en zand is geen kattenpies, maar we zijn getraind, toch? 

En toen, en toen…zei Hans: we gaan die kant op, wijzend in de richting van Beekhuizen, en hij zette het op een lopen, de smiecht!  Jézus, dacht ik als geschoold theoloog, de bergen zijn nergens zo steil als daar! Maar tot mijn eigen verbazing pakte ik gemakkelijk de draad weer op. Achter begraafplaats Rhederoord waar het pad zo heerlijk meandert, slalomde ik zonder noemenswaardige achterstand op de groep Hans (onze snelste groep) in gestrekte draf naar beneden. Daar besloot ik me aan te sluiten bij het bestuur dat – zo was mij wel duidelijk – geen trek had in een rondje Koepel de Kaap. Met het bestuur ging het in rechte lijn terug richting Vijver van Beekhuizen.  Na drie weken wandelen in plaats van hollen een verstandige keus, zo leek het.  Net voor de vijver sloeg het noodlot toe: zonder reden ging mijn rechterkuit op slot … en bleef op slot … en blijft op slot…
Intussen heb ik een sportarts geraadpleegd, want, de Bedriegertjeslopers zijn natuurlijk nog niet van me af.

En zo is het zomer, dag na dag, hittegolf na hittegolf, maar dat been, die kuit, of die spier laat zich nog niet vermurwen. Als een houten Klaas trekkebeen ik door mijn tuin, bezoek eens extra de bibliotheek en zoek wielerkoersen op Eurosport.

Toch: elk nadeel heb z’n voordeel:
Het zitten meer dan beu, besluit ik ongedurig midden op een middag naar Het Depot te rijden naast het Arboretum in Wageningen. Ik weet dat daar nog steeds een expositie loopt van Gerhard Lentink. (Waarom zou een expositie trouwens lopen ?) Echt héél bijzonder: prachtige reusachtige houten beelden, je blijft kijken en kijken.  En omdat de toegang tot dit prachtige museum helemaal gratis is, neem ik tot besluit in het restaurant koffie met taart. Ze serveren daar niet zomaar taart, nee, taart van Kirsten, echt HEMELS lekker, ik kan er geen ander woord voor bedenken.
Ook doen, allemaal, naar Het Depot, de expositie loopt nog tot 22 november, en dan tot besluit die hemelse taart van Kirsten.

 

dinsdag 6 augustus 2013


Dromen in Deventer 

Onlangs was ik in Deventer. Een dagje uit met de rondleiders van het Nederlands Openluchtmuseum. Een gelukkige keus: boekenstad Deventer met haar rijke geschiedenis. Wel besteed aan een groep veelweters als de onze.

Vanwege een sportblessure was ik tijdelijk moeilijk ter been zodat ik maar een gedeelte van het program kon meemaken. Staande bij de Lebuïnuskerk hoorde ik  van een meneer van het Gilde  dat de crypte van deze oude kerk tot voor kort bij aandachtige bestudering te zien was in onze paspoorten. Tot voor kort, want sinds de seculariseringgolf ook de wetgevende macht op het Binnenhof heeft bereikt wordt elke religieuze afbeelding geweerd… Onze volksvertegenwoordigers (hier spreek ik en niet de meneer van het Gilde) plakken het adagium scheiding van kerk en staat op allerlei, zonder blijkbaar de historische betekenis van die belangrijke verworvenheid te kennen. Maar goed, we zitten met al die verlichte  paarsen en liberalen (al dan niet zesenzestig) en we zullen het er mee moeten doen.
Elk nadeel heb z’n voordeel, ook een blessure, ik heb dus op eigen houtje wat rondgekeken en locale geschiedenis zitten snuiven op een terrasje.
En nu weet ik waarom Deventer zich zo graag afficheert als boekenstad. Zeker, vanwege die overweldigende boekenmarkt op de eerste zondag in aug.  Maar waarom kwamen ze juist in dit provinciestadje op de idee van zo’n happening? Dat is omdat Deventer al een boekenstad was geworden door Geert Grote, een groot verzamelaar van geschriften, en de broeders van het gemene leven.  Hun heer Florenshuis was een belangrijk centrum van afschrijvers.  In de vijftiende eeuw stimuleerden de moderne devoten het lezen van religieuze teksten in de volkstaal. Zo rond 1473 was de firma Paffraet in Deventer de productiefste drukker in de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. In 1485 hadden ze al 81 boeken gedrukt met een gezamenlijke omvang van ongeveer 18000 (!) pagina’s.   De grote Hegius,  een belangrijke vertegenwoordiger van het opkomend humanisme , kwam in Deventer wonen en nam zijn intrek bij… de familie Paffraet!! De Latijnse School had een grote aantrekkingskracht, bijv. op Thomas  van Kempen, en op Geert Grote natuurlijk. De eminenste leerling in Deventer was  ene Erasmus, jawel onze latere Desiderius uit Rotterdam. Hij laafde aan de voeten van Hegius zijn intellectuele dorst. Het was hier in Deventer dat de moderne devotie en het humanisme samenkwamen. Ook grote geesten als Rudolf Agricola en Wessel Gansfort hoorden tot het netwerk van Hegius en Erasmus. Input genoeg voor de drukkers van Pafraet! Later, in de 16e eeuw nam Antwerpen de rol als centrum van boekdruk over van ons stadje.  Maar toch wordt dan in Deventer nog het een en ander gedrukt van een andere opkomende stroming in die gistende tijd: werken van de doperse stroming van eindtijdprofeet Melchior Hofman.

Wat een rijkdom: Lebuinus – Latijnse School - Geert Grote –Moderne Devotie –Alexander Hegius –Desiderius Erasmus…
En dan zijn we er nog niet: eeuwen later is er die andere lichtende ster die hier haar jeugd doorbracht, verhuisde naar Amsterdam en ons dagboeknotities en brieven naliet, getuigend van een welhaast onpeilbare spiritualiteit, ik bedoel: Hetty Hillesum. 

Eens reisde ik naar Parijs, mijn hoofd vol van het Louvre, het Centre Pompidou, de Notre Dame en Sacré-Coeur. Voor een van mijn metgezellen was dit allemaal van geen betekenis. Voor mij, zei hij, is Parijs: Roland Garros. Hij zou en hij moest de heilige grond van dat tennispark zien en betreden. Verdere verlangens of plannen had hij niet.
Ook voor die bezoekers heeft Deventer veel in de aanbieding: wie herinnert zich niet de wereldrecords van Fred Anton Maier, de triomfen van Ard en Keessie, de vele EK’s en WK’s verreden op die roemruchte maar helaas afgebroken kunstijsbaan aan de IJssel?  En wat te denken van de Adelaarshorst, al sinds 1920 (!) bespeeld door Go Ahead, bij herhaling kampioen van Nederland en juist dit seizoen terug op het hoogste niveau. Wie weet, misschien beleven we nog  eens Europees voetbal op het kunstgras van onze boekenstad.  Want zoals ik las op een deur in de binnenstad: wie niet gelooft in dromen is geen realist.
Waarvan akte!