zaterdag 27 december 2014


Gesprek in de Bedstee

In het Openluchtmuseum is tot eind januari een expositie ingericht over het circus in Nederland. Tijdens het openingsweekend stond er in het museumpark een grote maquette van een circusopstelling. Een pracht bouwwerk, ik sta me eraan te vergapen, zelden zo’n mooie maquette gezien! Jammer dat het glazen omhulsel beslagen is vanwege het natte weer. Ik neem me voor het de komende dagen nog eens beter bekijken. Ik blijf nog wat hangen bij een  wooncaravan uit het circus die daar eveneens staat opgesteld. Terwijl ik me sta te vergapen aan het interieur hoor ik naast me in onvervalst dialect: ‘Muj kiek’n joh, hier kuj drin kieken!’ Een hele familie ongetwijfeld afkomstig uit Salland verdringt zich vervolgens voor de omlaag geklapte ingangstrap. ‘Oh, da’s mooi!’ zegt een dertiger. ‘Muj dat oanrecht zieh, dat holtwark! En dat kassie! Hemoal bewarkt! Dat wulk ok hemm as ik een caravan zol hemm! ’
‘Ja wuj dat ok hemm?’, vraagt een van de vrouwen.
 ‘Ja, ak ’n caravan zol hemm, zeker weten, dan wok dat ok hemm!’
 Zonder dat ze me zien blijkbaar verdringen ze me bij het trappetje en ik besluit maar verder te lopen.
Een paar dagen later – het weer is dan veel mooier – besluit ik nogmaals de maquette en die wagen te bekijken, maar helaas zijn ze verdwenen. Teleurgesteld loop ik terug.
Ik loop nog even langs de boerderij uit Vierhouten. Ik heb gelezen dat boer Maas weer in de bedstee ligt. En ja hoor, hij ligt weer pontificaal, bijna opgebaard, in zijn bedstee. Ik blijf het een pracht tafereel vinden. De komende weken zal ook hier het ‘muj kiek’n’ wel veelvuldig klinken.  Plots schiet me een gesprekje te binnen dat enige tijd geleden in mijn lijfblad Trouw stond afgedrukt. Het was afkomstig uit een uitgave In Drentse Bedstee (jaren 50)  als ik het me goed herinner. Het ging ongeveer zo:
 ‘Hendrik’
‘Ja, Mina’
‘Wo’j mi nog bruken? Anders wend ik mi tot den Here.’
‘Is al laat, Mina. Morgen is’t weer vrog dag.’
‘Welterusten, Hendrik’
‘Welterusten, Mina’
Waarschijnlijk hapert u hier even met lezen. Leest u het gerust nog een keer.

Over vrede op aarde gesproken!  Wat een vrede spreekt er uit zo’n simpel gesprekje in een bedstee!


woensdag 17 december 2014

Dat is toch normaal!
Of ben ik nou gek?

Ja, die past goed bij de tafel, staat stevig, geeft veel licht tegen het plafond en het lampje naar de tafel is te buigen naar waar je maar wilt.  Hmm, en niet duur (iets van 70 euro). Zullen we? Ja, we zijn het eens, die kopen we!
Even kijken of lampjes zijn inbegrepen. Zal wel op de verpakking staan.
Nee dus, dat staat niet op de verpakking. Even goed kijken.
Ho, wacht eens, daar helemaal onderaan: lamps no changeable .
Moet je nou kijken: lamps no changeable…!!
Dus …als een lampje stuk is moet je de hele armatuur weggooien ?!?!  Die kopen we niet!! 
Geschokt over de alsmaar toenemende weggooimaatschappij gaan we richting uitgang. Bij de kassa uit ik verontwaardigd mijn verbazing  “ dus als een lampje stuk is moet je de complete lamparmatuur van 70 euro weggooien!”
Zegt de verkoopster doodgemoedereerd: “Ja, dat is tegenwoordig steeds meer de trend.” Ze begrijpt niets van onze verbazing. Dat vind ik nog choquerender dan die stomme lamp. Denkt ze dan helemaal niet na over wat ze verkoopt? En zijn er dan mensen die zoiets kopen? Als ik een lekke band heb, dan koop ik toch ook geen nieuwe fiets, dan ga ik toch die band plakken? Dat is toch normaal!
Of ben ik nou gek?

‘s Middags tuig ik de kerstboom op. Natuurlijk zijn er twee lampjes die het niet doen en natuurlijk hebben we geen reservelampje meer. Even met de auto naar Action om een paar reservelampjes te kopen. Ik weet het: 2 x helemaal fout, Action en met de auto. Maar ook ik ben maar een mens.
Heeft u ook reservelampjes voor kerstboomverlichting?
Ik had het kunnen weten: alleen van die LEDlampjes, niet voor ouderwetse verlichting die wij al 30 jaar gebruiken. Dan maar naar de Gelderse IJzerhandel, al 30 jaar mijn steun en toeverlaat, goudeerlijk en niks geen kinderhandjes.
Wat denk je: nee, die hebben we niet meer, het is tegenwoordig allemaal met die LEDlampjes… 
Oké, wij hebben nu ook een net met LEDlampjes over de boom. Zo word je dus de vooruitgang ingedrongen.

Maar ik zweer je: vóór het kerst is  vind ik bij de kringloop, het Vincentrum of 2Switch reservelampjes. Misschien wel dertig, net genoeg om probleemloos honderd te worden.

zondag 14 december 2014


Er was een duiventil


 

Ik loop langs de boerderij uit Kadoelen, bij Vollenhove. Zoals bijna altijd als ik daar loop denk ik ook nu onwillekeurig aan Evert van Benthem. Het echtpaar Winters-van Benthem dat daar eens woonde had een zoon, genaamd Evert. Zoals bekend kwam die andere Evert, de tweevoudig Elfstedentochtwinnaar van ’85 en ’86, ook daar uit de buurt. Het zou dus zo maar kunnen dat beide jongetjes meer gemeen hebben dan alleen hun roepnaam. Ze zullen allebei geschaatst hebben op de Beulakkerwiede, al zal de een zich nog hebben bediend van houten schaatsen met een krul.

Evert Winters groeit dus op hier op deze boerderij in Landgoed Kadoelen, speelt op de deel bij de koeien en tussen de daar rondscharrellende kippen. Ik zie hem  knikkeren op de lemen vloer en touwtje springen met zijn zussen, pa zal het touw zelf wel gefabriceerd hebben of misschien meegebracht van de markt in Meppel. En ze zullen er zeker ook gebikkeld hebben met vier bikkels en een balletje. Ongetwijfeld kon Evert ook heel goed duiveneieren uitblazen. Ja, u leest het goed: duiveneieren uitblazen. Evert was nl. verzekerd van een constante voorraad duiveneieren. Hoe ik dat weet? Tja, daar hebben we onze documentatiemappen voor in de bieb. In de map Kadoelen vond ik tot mijn stomme verbazing foto’s van een grote duiventil in het land naast de boerderij!! Ook een krantenknipsel waarin sprake is van ‘de oude boerderij die met zijn markante duiventil naar het Openluchtmuseum zal verhuizen’!  Dat laatste is dus nooit gebeurd, maar er stond dus in situ wel degelijk een duiventil bij onze boerderij (en volgens Wikepedia staat die er nog in de paardenwei van het landgoed!).

Terug naar Evert. Als hij een normaal ventje is geweest zal hij ongetwijfeld wel eens stiekem eieren uit die duiventil hebben gepakt. Niemand die daar iets van merkt, duiven leggen eieren bij het leven, die weten niet van ophouden. En wat is er leuker en spannender dan twee gaatjes prikken in een ei, niet te smal maar ook niet te groot – het ei aan de mond en voorzichtig blazen. Niet gemakkelijk hoor! Ik zie het mezelf nog doen. Als je iets te hard blaast knijp je haast vanzelf met je vingers het ei kapot! Vieze boel en de anderen lachen! Evert zal ongetwijfeld bedreven zijn geworden in deze kunde.

De afbraak van zijn ouderlijk huis heeft onze Evert niet meer meegemaakt. Er woonde toen een andere boer in een nieuw huis ernaast. Hij zal ook geen weet hebben van hebben dat de 600 evacuees uit Arnhem die na het echec van Market Garden een aantal maanden in het museum bivakkeerden, de herbouw van de boerderij in het museum enige tijd hebben  opgehouden. Uit dankbaarheid hebben de evacués overigens nog tijdens hun verblijf  (al op 21 oktober) een inzameling gehouden ten bate van het museum. Toen ik dat onlangs hoorde viel bij mij het kwartje. Stel je voor: je bent directeur van het museum, je verwerft een mooie boerderij met ernaast in de wei een karakteristieke duiventil, en dan komt die duiventil niet mee..! Je wilt het plaatje graag kompleet ... én je krijgt pardoes een geldbedrag.. !  Dan wordt er dus besloten er maar een duiventil van elders bij te plaatsen, natuurlijk! En het is op dat moment nog een sprekend vredessymbool ook !!

De duiventil die er nu staat verbindt dus op een gelukkige manier de herbouw van Kadoelen met deze bijzondere periode in de geschiedenis van het NOM. Voortaan kan ik hiermee als rondleider wel uit de voeten!

Het zal Evert worst wezen. Ik denk dat hij het leuk vindt dat zijn duiventil in Kadoelen is gebleven. En die andere Evert, de schaatser? Hij zal dit verhaal niet kennen. Na een paar jaar zuivelbusiness op een boerderij in St Jansklooster, vertrok hij naar het verre Canada. Dichtbij Calgary, dat weer wel.

dinsdag 18 november 2014


Man’s-broer-vrouw-over-spoor

Nog één keer loop ik naar de onderverdieping van het entreegebouw. Nog twee dagen zullen de ondernemers van onze expositie ‘Wat mag het zijn?’ te kijk staan. Ik had me lang geleden, toen ik hoorde dat de onderverdieping verbouwd zou worden tot een nieuw museum voor  ‘de Canon van de Nederlandse geschiedenis’, voorgenomen hier nog eens een middag rond te lopen. En zo wordt weemoed mijn deel op deze laatste donderdag nu het nog kan, kort voor sluitingstijd.
O zeker ik ben blij dat de museale weergave van de Nederlandse Canon naar Arnhem komt, en nog wel naar ons. Om trots op te zijn! En dat ben ik, maar het schuurt ook een beetje . Voor deze ene keer geef ik u een kijkje in mijn ziel:
Het Openluchtmuseum voert als slogan: dichter bij de geschiedenis kun je niet komen, en daarbij denken we vooral aan het oproepen en delen van ervaringen Niet voor niets scoren de laatste twee Tilburgse huisjes uit de zestiger jaren, het Kruisgebouw, de Watersnoodwoning, de beheerderswoning in de Molukse barak en de kroeg uit de Jordaan  zo hoog. Elke rondleider weet dat uit ervaring. We focussen vooral op de vorige eeuw. Voor mij horen hierbij ook sigarenmagazijn Dick Fries uit Aalten, De Kindervriend uit Meppel, de Arnhemse Balletjeswinkel, de kapsalon, de kruidenier en die andere winkels onder het Entreegebouw.
Geen dorp in Nederland of ze waren er. Vaak dicht naast elkaar langs die ene doorgaande straat: de bakker, de slager, de loodgieter, de smid, de winkel van Sinkel, de kleermaker, de kruidenier, en ga maar door. In het kleine gehucht waar ik opgroeide, eerder een nederzetting dan een dorp, luttele kilometers van de Zwolse Hanekamp vandaan, hadden we bakker Van de Kamp, smid/fietsenmaker Pot, de winkel van tante Boeve waar je alles kon kopen wat een mens nodig had, schoenmaker Rientjes en petroleumhandel Satink. U ziet: alleen voor de kapper, de slager en voor nieuwe kleren moest je (langs De Hanekamp) naar Zwolle fietsen. Uiteraard kwamen er ook venters langs de deur. Eens stond er een ondergoed aan te prijzen. Enkele grote maten omhoog houdend zei hij tegen mijn moeder : “uw man’s-broer-vrouw-over-spoor’ heeft maat zoveel, die past u ook wel”. Mijn goede tante Jo, ze woonde aan de andere zijde van de spoorlijn, is in ons gezin altijd uw man’s-broer-vrouw-over-spoor gebleven. Ze zal nooit hebben geweten dat ze het ijkpunt was voor de intieme maten van alle boerinnen in de omgeving! Maar dit alles terzijde.

Die kleine zelfstandigen en winkeliers, die sabbelaars voor wie het begrip sluitingstijd onbekend was, waar je ’s avonds laat en op zondagmiddag gewoon achterom liep, en bij wie je gewoon op de pof kon kopen, ze verdwijnen met de komst van De Canon weer een beetje meer uit ons oog. Nou en dat vind ik gewoon jammer. Maar ik heb wel mooi tante Boeve waar ik zo dikwijls een voetbal heb mogen kopen, en fietsenmaker Pot die later nog een depot voor gasflessen begon, aan de vergetelheid ontrukt!

zondag 9 november 2014

Met u heb ik een appeltje te schillen

Ik zit te wachten. Ze zijn te laat. Als ik ergens een hekel aan heb dan is het wel aan groepen die te laat komen.  Wij worden geacht ons een half uur voor aanvang van een rondleiding te melden, laat je dus een uur voor de afgesproken tijd vrouw en al wie en wat je lief is thuis, en dan komen ze niet opdagen! Loop je daar 15 soms wel 30 minuten te wachten tot ze aan komen k…… juist!  Ze hebben er geen idee van dat wij ook maar vrijwilligers zijn die zich voor hun uitje een halve dag beschikbaar stellen.  Een halve dag, ja daar komt het al met al op neer. Terwijl ik mezelf zo loop op te fokken meldt zich iemand met onvervalst Belgische tongval. ‘Bent u de gids?’  ‘Jawel meneerke, dat ben ik en met U heb ik een appeltje te schillen!’, denk ik.  Maar zo zeg ik dat natuurlijk niet. Nee, ik bevestig dat ik de gids ben en ik vraag beleefd of ze het gemakkelijk hebben kunnen vinden en waar ze vandaan komen. ‘Uit Limburg meneer’, dat wil zeggen Belgisch Limburg, ‘uit de buurt van Bokrijk’. Aha, dat verandert de zaak!!  Bokrijk is nl het belangrijkst openluchtmuseum in België, zeg maar ons zusje.
‘Nee, boerderijen hebben we genoeg gezien meneer, graag wat andere objecten.’ En zo staan we even later in de panden uit de Jordaan. Onze postkantoren waren blijkbaar sterk gelijkend op die in Belgisch Limburg, maar het Turkenpension is nieuw voor ze. ‘Waar werkten die gastarbeiders dan, in Amsterdam had ge toch geen mijnen of zo?’  En ja, die Belgen willen ook best even naar de kroeg. ‘Je moet je voorstellen’, zeg ik,  ‘dat het hier stijf staat van de rook en misschien zit Simon Carmiggelt daar in de hoek een kronkel te schrijven.’ Ja hoor, ook de zuiderburen kennen Simon Carmiggelt, en in koor zingen ze mee met Tante Leen !!
Ik vertel ze over de keuze die het museum met deze presentatie heeft gemaakt, over de mengelmoes van bevolkingsstromen in de vorige eeuw. Wachtend op de tram hebben we het even over de missie van het museum. Even later zetten we dat gesprek voort bij Dingenliefde, dat een inkijkje geeft in onze depots. . De presentaties in de zijgang over de veranderingen in het dagelijks leven scoren hoog merk ik. Ook het Kruisgebouw oogst lof, er blijkt een huisarts in het gezelschap, hij heeft grote belangstelling voor de uitleen van de verpleegartikelen. Iemand probeert me uit te leggen hoe de wijkzorg in België geregeld was, maar de Belgisch Limburgse tongval valt me toch niet mee. Uiteraard zijn ook de Tilburgse huisjes een succes, en passant leer ik het een en ander over het zwavelbakje en het valt me op dat de oranje kleur van de zeventiger jaren hen onbekend is.  Ook de leefkuil blijkt minder verbreid bij de Vlamingen.  Kortom: Bokrijk en Arnhem, twee musea en toch twee werelden van verschil, en dan moet het HollandRama later die middag nog volgen..! 
Als ik ze op de museumtram heb gezet, wandel ik tevreden terug. Allee, het is later geworden dan gedacht, maar met dit soort gasten blijft rondleiden leuk. Bij de Grote Weide vragen twee bezoeksters wat dat voor een vissershuisje is daar achter de standerdmolen. ‘Nee mevrouw dat is geen vissershuisje. Daar in dat Zaanse buurtje daar staat wel…’ ja dat hebben ze al gezien. We lopen door, hun groep staat op ze te wachten bij de uitgang maar zij moesten beslist nog even naar het Rietveldhuisje uit Markelo. ‘Weet u mijn neef was betrokken bij de herbouw ervan hier in het museum.’ En dan blijkt dat diezelfde neef  later aan het daten is geslagen en heeft afgesproken bij het Rietveldhuisje! En jawel hoor, het werd een vrij langdurig bezoek dat heeft geleid tot een huwelijk!!  Helaas heeft het huwelijk maar enkele jaren mogen duren, haar neef  is vrij dramatisch gestorven.

Maar toch, een geslaagde date op het bankje onder de bomen bij het Rietveldhuisje! Weer een anekdote die ik zelf niet had kunnen bedenken!

zondag 2 november 2014

Hardloper in een rolstoel

Op mijn tochten naar Santiago heb ik wel geleerd dat je op je weg van alles tegen komt. Veel wat  je bewust kiest, ook veel wat zich onverwachts aandient, waar je je maar mee moet zien te verhouden. Die camino, zo noemen ze dat, blijkt nog steeds door te gaan. Vorige week was er weer zo iets.
Er bleek een niet ongevaarlijke infectie die allerlei kwalijks zou kunnen veroorzaken. Veel keus heb je dan niet, de dokters wilden geen tijd verliezen, aanpakken die zaak. En zo geraakte ik halsoverkop in het ziekenhuis. In zo’n bedrijf – want dat is het – gebeurt van alles en ook van alles met jou.
Je moet bijvoorbeeld naar de afdeling chirurgie, vijf verdiepingen lager.  Nee, u mag niet alleen met dat infuus door het ziekenhuis dwalen, daar is de vervoersdienst voor.
Nou, moet er wel iemand komen want ik heb nog 10 minuten, bedenk ik wat onrustig, maar dan komt er plots een broeder met een rolstoel: meneer Beltman ?
Ja dat ben ik.
Neemt u maar plaats.
Maar..ik kan wel lopen!! Legt u het infuus maar in de rolstoel, ik wandel wel mee.
De man kijkt me aan en zegt: geen sprake van, neem maar plaats.
We monsteren elkaar even: hij een boom van een vent in een ziekenhuispak maar waarschijnlijk vrijwilliger van de vervoersdienst en ik de wat verbouwereerde patiënt met zijn infuus die naar de operatie moet.  Ik heb nu geen zin in stennis en zeker niet met die vrijwilliger die eruitziet als een stevig gebouwde wegwerker.  Oké, ik zal me netjes gedragen, dan maar in de rolstoel,zeg ik. Ik neem plaats, de man draait zonder een woord te zeggen  de stoel en met een rotvaart stuif ik de kamer uit, op het eerste kruispunt van gangen zie ik plotseling benen voor me die snel naar twee kanten uitwijken. Ik roep nog een keer: voorzichtig  kijk uit man! maar  de wegwerker denkt niet aan vaartminderen. Feilloos de lift in en uit en zonder dat ik ook maar iets raak scheuren we vijf verdiepingen lager verder.   Bij wijze van waarschuwing roep ik over mijn schouder naar een meehollende coassistente: deze lieden kom je dus ook tegen ‘s avonds in het verkeer! Het mag de man niet storen. Hij levert me af bij de afdeling chirurgie en verdwijnt.
De chirurge legt me uit wat er gaat gebeuren: ik maak twee sneetjes in uw gelaat en  zal dan een centimeter uit de ader wegknippen.
Ja doet u maar wat u moet doen.
Ik verdwijn onder een groen doekje, de prikjes voelen precies zoals de prikjes van een lieve dokter moeten voelen: je voelt ze maar eigenlijk als korte zoete pijn.  En dan hoor ik haar aan twee assistentes uitleggen dat ze karteltjes snijdt om het gezicht zo mooi mogelijk te laten. Het zal me op dit moment een zorg zijn, maar bijna 70 jaar oud en dan drievrouw sterk boven je horen overleggen hoe je gezicht zo mooi mogelijk te houden, tja dat heeft toch ook wel wat. Ik denk nog: hoeveel van ons loopgroepje zullen dit horen als ze bijna 70 zijn?
Ik hoor haar les geven: zie je wat ik doe, begrijp je waarom ik dit doe? Zie je wat er nu gebeurt, etc. Ik ben nu geen hardloper, speel ook geen simulatiepatiënt, ik heb het nu uit handen gegeven, tel mijn zegeningen en laat maar gebeuren.
Na een kwartiertje is het klaar.
Madame de chirurg denkt dat het goed gegaan is, geen complicaties, zegt ze en als er iets is dan moet ik zonder aarzelen aan de bel trekken.
Ik wurm me van de operatietafel in de rolstoel, plots wat minder zeker en een beetje dizzy want met de slangen van het infuus (mijn paal en ik blijven onverminderd aan elkaar geklonken) nu meer om mijn lijf dan naast mijn lijf, moet ik nu tussen de beenruimte van de rolstoel een wel wat ingewikkeld draaiende beweging afwerken.  De chirurgijn en haar leerling vertrekken en de coassistent mag mij nu wegrijden. Voor haar ook nieuw: rolstoelduwster. Na de eerste bocht zeg ik: stop maar even, nu kan ik best lopen naast mijn paal, voor jou is een lege rolstoel ook veel makkelijker. Ze blijkt anders dan de wegwerker van zojuist. We geinen een beetje: als jij nu in de rolstoel plaats neemt en ik duw je, dan krijg je een mooie foto voor het blad van coassistenten. Bijschrijft: harloper en co-assistent: in het ziekenhuis schuiven alle rollen. En zo probeer ik er maar het beste van te maken.
Later zal de oogarts constateren dat het oog geen schade heeft opgelopen en de internist dat ik nu echt wel een paar maanden aan de medicijnen moet.
 Hoe zegt u?
Nou je moet wel rekenen op een klein jaartje . Oeff , die komt binnen!
Op de middag van de derde dag ( haal ik nu Kerst en Pasen door elkaar ?) mag ik naar huis en vind ik me terug bij de apotheek: ik krijg uitleg over een aantal medicijnen, en dat zijn bepaald geen snoepjes. Van het soort waar oude mensen er ook wel veel van krijgen. Veel pret met sol, maar niet zonnig, als je begrijpt wat ik bedoel. Dit is een tweede schok: ik de hardloper ben nu ook patiënt geworden… met een dagelijkse dosis pillen.
Hoezo D’66-ers en ander hoogopgeleid seculier en vooral autonoom yuppendom, hoezo maak je je eigen leven? Kies ik de weg of kiest de weg mij? Beide zijn op zijn minst ten dele waar.
(vrij naar de Zweedse mysticus en VN secretaris Dag Hammerskjöld)
Hoe dan ook: ik vervolg weer mijn camino met open handen .Verlost van paal met infuus, maar het effect druppelt wel door.
Benieuwd hoe de weg verder kronkelt!


zaterdag 25 oktober 2014

Ligt een hardloper in bed. 

Dat behoeft enige uitleg want een hardloper ligt niet, die loopt. Tenminste zo hoort dat, toch?
Zo niet deze hardloper, hij (ik dus)  ligt vanmorgen in bed. Gisterenavond nog de hele avond doorgebracht bij een bevriend stel. Ik dacht dat het na een weekje kwakkelen wel weer kon, je kunt toch niet steeds door de kamer heen en weer blijven drentelen? Dus met een paracetamolletje in de maag vrolijk op weg gegaan. En het moet gezegd, het ging best, al keken ze wel een beetje op dat ik als gekend koffiedrinker, begon met een glas thee. Niet dat daar veel aan is, maar je moet toch wat drinken? Het glaasje wijn viel echter helemaal verkeerd, dat had ik bij het eerste slokje al wel in de gaten, ik ben dus heel goedkoop bezoek geweest. Na een avond lang over kinderen en kleinkinderen te hebben gesproken – die leeftijd hebben wij intussen bereikt – onze zorgen te hebben gedeeld – je kunt ze moeilijk met je kinderen delen want die moeten hun eigen weg gaan – en enkele gemeenschappelijke interesses te hebben besproken, zijn we tegen twaalven terug gewandeld. Hoe ging het?, vroeg Marian.
Nou, zeg ik, het viel me niet mee.
Nou je was anders behoorlijk op dreef, zei ze.
Dat mocht zo lijken maar het is echt nog niet over, zei ik, die wijn viel helemaal verkeerd.
Oké, met een paracetamol het bed in. Slaap ik me toch tot 7 uur vanmorgen aan één stuk door!  Maar de smaak van die wijn is nog steeds overheersend in mijn binnenste. Ik besluit tot een oud recept: warme melk met een lepeltje honing. Dat moet al minstens uit de tijd van mijn overgrootmoeder stammen. En Marian hanteert dat recept al jarenlang met veel succes.  Nu ga ik dat eens doen, je kunt toch niet eindeloos op die paracetamolletjes blijven rondlopen? Lekker  hoor die honing, het is nl wel mooi zuivere honing van onze eigen bijen!
En met deze zuivere honing en een beetje warme melk – echt een aanrader voor al die stoere hardlopende binken – duik ik weer het bed in.
Het is kwart over negen voor ik er erg in heb, kwart over negen, dat is lang geleden!! Kom op Beltman!, en nu eruit!, het is afgelopen!, het is voorbij!, morgen kan je weer voorzichtig een eerste loopje beginnen. Maar nu wil ik het ook zeker weten, dus struin ik de kasten af naar onze koortsthermometer, kun je nagaan hoe vaak we die gebruiken! Ik vind hem, vlei me nog even op bed en stop het staafje in het daartoe bestemde gaatje. Wat denk je? 38,6 'smorgens om kwart over negen! Marian, is die thermometer van ons wel goed? Ja, nooit gemerkt dat die niet goed is. Plotseling wordt mijn ziekte serieus genomen, dat is dus wat Cruijff bedoelt met elk nadeel heb z’n voordeel. Intussen is er een voorraad frisse fruitdrank ingeslagen!
 Hoe het nou verder moet de komende dagen, dat weet ik niet, (behalve dat het moet ophouden natuurlijk!) je kunt immers niet steeds in bed blijven liggen en je kunt ook niet steeds verhaaltjes gaan zitten schrijven. Bovendien, er zijn er in ons clubje die veel ernstiger kwaaltjes en ongemakken hebben en daarover den volke ook niet uitgebreid kond doen.
Wat ik nu maar zeggen wil: mij zien ze dit jaar niet bij de griepprik. Ik heb mijn portie al gehad, en voel er niets voor de beurs van enkele farmaceuten nog verder te spekken. 
Leef gewoon gezond, dan kun je een griepje fluitend aan!

Meestal.