dinsdag 25 december 2012

 
                                         Kerstnacht  in Harreveld
 
Het schemert al als ik in het museum de Gelderse buurt inloop en blijf staan bij het pittoreske boerderijtje uit Harreveld. Bezoekers hebben vaak veel aandacht voor de gebouwen en voor de inrichting ervan. Mij boeit dat niet zo, ik geef mij graag over aan beschouwingen over hoe mensen in deze gebouwen hebben geleefd. Zo ook nu. Ik stel me erve Te Stroete, zo heette de boerderij in Harreveld,  voor in een kerstnacht, laten we zeggen de kerstnacht van 1906. In die tijd woonde daar Johannes Reinders met zijn vrouw Janna. Volgens plaatselijk gebruik werden ze Strootjan en Strootjanna genoemd, naar de naam van de boerderij. Ze hadden één zoon, ook Johannes genoemd.

Strootjanna, zo stel ik me voor, slaapt onrustig in de bedstee, wat wil je in zo’n bijzondere nacht, de nachtmis begint om vier uur, stel je voor dat ze te laat zouden komen! Dat zou een schande zijn! Ze heeft een olielampje laten branden bij de klok zodat ze kan zien hoe laat het is. Om 3 uur  port ze Strootjan wakker: Opstaan Strootjan, het is tijd! Bij het licht van de olielamp kleedt ze zich om. Haar kleren had ze gisteren al uit de kist gehaald en klaargelegd op een stoel evenals haar mooie, netjes gesteven muts. Ook Strootjan , zo stel ik me voor, knoopt zich in zijn beste pak. En reken maar dat Janna dat gisteren nog heeft nagekeken, want in deze hoogheilige nacht moet je goed voor de dag komen! Ze hoeft geen vuur te maken om water te koken want ze moeten nuchter blijven voor de heilige communie. Dat scheelt al weer een beetje (elk nadeel heb z’n voordeel zou Cruijff  negentig jaar later zeggen). Nee, ze mogen niets eten of drinken, gelukkig sneeuwt het niet, het lijkt een slappe winter te worden, dus ze lopen straks niet het gevaar per ongeluk iets door te slikken! Dan zouden ze niet ter communie mogen… Trouwens, ze zou het vuur toch niet kunnen laten branden want stel je voor dat de kat…
 
Als ze is aangekleed en haar keurig gesteven Achterhoekse muts heeft opgedaan, licht ze de kleine Jan van bed. Het joch krijgt een  pofbroek , trui en jas over zijn ondergoed en dan gaan ze de duisternis in. Kleine Jan, is de afgelopen dagen al voorbereid op dit bijzondere gebeuren: midden in de nacht naar de kerk! Hij zeurt dus niet om zijn bordje pap, vol verwachting loopt hij tussen pa en moe de duisternis in. Goed opletten, zegt Janna, dat je niet in de modder trapt. Ze heeft gisteren de klompen van alle drie, door pa zelf vervaardigd,  extra mooi schoon geschuurd. Pa en moe houden hem stevig bij de hand.  
Het is stikdonker, voor zich horen ze stemmen van de Reurings en die van Klein Goldewijk lopen een eindje achter hen. Ze lopen stil, pa en moe praten zachtjes, soms hoort Jan de steentjes knersen onder de klompen. Best spannend zo in het duister. Jan ziet haast geen sterren.
In het dorp lopen meer mensen op straat. Bakker Wissink heeft een olielamp buiten gezet. De deuren van de grote kerk staan open. Al op afstand ziet kleine Jan de kaarsen branden, heel veel kaarsen. Veel mensen zijn al aanwezig. Tussen pa en moe in betreedt Jan de zee van licht. Aan beide zijden van het altaar staan  grote stellages met brandende kaarsen. Dat is mooi ! Het koor zingt al kerstliederen, de herdertjes lagen bij nachte, en : hoe leidt dit kindeke . Het is heerlijk warm tussen al die mensen.
Dan komen de priesters binnen, drie paters franciscanen uit het klooster. Een plechtige mis met drie Heren !! Janna had het al gezegd. Het koor zet in: Puer natus est nobis, filius datus est  Voor de Harrevelders geen ratio maar beleving. Ze hebben geen vertaling nodig. Zelfs kleine Jan weet: God is geboren!! Het gloria duurt een beetje lang maar dan leest een van de paters het verhaal voor van Jezus in de stal en de herders op het veld. Jan luistert aandachtig, dat verheel kent hij! Een andere pater houdt daarna een plechtige preek. Af en toe geeft   Janna een por aan Strootjan, die indommelt. Ook Jantje knikkebolt een beetje in de warmte tussen al de grote mensen. 

Na de mis, zo rond  6 uur, wenst iedereen elkaar achter de kerk Zalig Kerstfeest. Kleine Jan doet ijverig mee. Pa en moe blijven even op het plein staan praten met buren.  Dan lopen de families het dorp uit, weer hand in hand over het donkere landweggetje, tot ze bij de boerderij zijn.  Pa steekt een olielamp aan in de donkere ruimte en moe doet snel een werkschort voor en maakt vuur. Jan krijgt een stuk krentenmik zoals moe had beloofd, want het is kerstmis. Dan legt ze hem weer in de warme bedstee, spoedig is hij in diepe slaap. Strootjan en Janna zitten nog even bij het vuur en eten een stuk krentenmik bij de pap , want het is kerstmis. Dan verruilen ze hun beste kleren voor het werkgoed, Strootjan gaat naar de koe en Janna vult de grote pot voor de soppe.  Want kerstmis of niet, op Te Stroete is altijd werk te doen.

 

 

vrijdag 7 december 2012



Een Brabantse verpleegster

De familie komt uit West Brabant. Ze hadden lang getwijfeld tussen een dagje Floriade of een bezoek aan het Openluchtmuseum. De Floriade kun je maar eens in de paar jaar bezoeken, maar ook voor deze familie gaat er blijkbaar niets boven het openluchtmuseum. Ik sta daar niet van te kijken, het is immers het meest bezochte museum buiten de randstad, er is altijd wat te beleven en het  weet mensen altijd te raken.
Oma (83 jaar) wil naar het Kruisgebouw en naar een grote boerderij uit Etten-Leur, zo is me gezegd, want daar is ze opgegroeid en ze heeft lang gewerkt in de verpleging. Dus leid ik het gezelschap naar de tram richting Brabant en loop daar met ze naar ons Groene Kruisgebouw.
Als ze voor het gebouw een oude solex ziet, vliegt ze eropaf, grijpt het stuur en vertelt haar verbaasde familie ‘met zo’n ding ben ik  nog eens uit de bocht gevlogen!’  Eenmaal binnen komen er allerlei herinneringen boven, ik beluister brokjes levensgeschiedenis:  een  groot gezin, na school 7 jaar thuis geholpen op de boerderij en uiteindelijk  de verpleging in, blij dat ze weg kon onder moeders vleugels vandaan. Dit laatste had ik eerder gehoord tijdens een inleiding voor de rondleiders over de geschiedenis van de gezondheidszorg. (Rondleiders moeten nl. van velerlei thuis zijn.) Als jonge vrouw had je niet veel mogelijkheden om ‘verder’ te komen en de sociale druk van het dorp achter je te laten. Leerling verpleegsters moesten wel intern bij de nonnen in het ziekenhuis, maar ze woonden toch in de stad! Na hun basisopleiding behaalden sommigen nog een aantekening voor ‘de wijk’. Als wijkzuster was je zeker voor de tweede wereldoorlog iemand met aanzien, ze hoorde in het rijtje pastoor, dokter, notaris! Je had goede kans een dokter aan de haak te slaan, maar er waren er ook die zich ontpopten als een geduchte konkurent van meneer de dokter! 

Onze oma vroeg om vrije zondagen, ze werd de eerste lekenverpleegster in het ziekenhuis in Roosendaal die vrije zondagen kreeg. Ze werkte 52 uur betaald ‘en de rest was voor Gods lof! Later kwam de 48 uur, dankzij de bond. Ma vond dat maar niks!’

Ze werd verliefd op een patiënt, dat was een tegenvaller voor de nonnen, ‘maar ja, één paar schoenen voor het bed leek me ook niet alles’. Ze ging trouwen maar ze bleef wel werken, ‘sommigen vonden dat maar niks’.
 ‘Dus u was een soort pionierster’ vraag ik.
 ‘ Wat zegt u? Nou, eigenlijk wel ja’
Bij de uitleenartikelen vertelt ze hoe je de verschillende soorten ondersteken op hun plaats schoof.  Dat is nog een hele kunst, zo leer ik.

De climax komt wat mij betreft even later in het tweede Tilburgse huisje. Met zachte stem, om het niet te laten horen aan alle omstanders, bekent ze me dat ze eens bij een lijk in de bedstee is gekropen. Natuurlijk luistert de hele groep extra scherp want ze heeft dan allang een sfeer gecreëerd van ‘ons mam op de praatstoel’ (alles is nu dus onderdeel van het familiearchief, maar dit terzijde). ‘Die man, die lag niet handig. Ik ben erbij in gekropen, en ben me toch sjorren geweest voor ik hem omgekeerd had liggen! Dat viel niet mee hoor!  Oh, ik heb van alles meegemaakt joh…’

Even verder, als we de beugelbaan naderen wijst ze vooruit. ‘Da’s Etten-Leur’, zegt ze zonder enige aarzeling.
‘Hoe ziet u dat?’
 ‘Da-zie-de gewoon !’
 
Rondleiden is boeiend, soms heel boeiend.

 

 

 

donderdag 15 november 2012



Een ervaren collega 

De laatste zaterdag van het zomerseizoen is het slachtdag in het museum. In de boerderij uit het Betuwse Varik hangt het varken hangt aan het leer, zoals dat heet. Het zal er druk zijn dus ik ga met mijn groep maar een andere kant uit.

Ik neem ze mee in de tram, vermaan ze wijzend op het verdict verboden te spuwen nadrukkelijk om geen tabak of kauwgom te consumeren, laat ze uitstappen bij halte Dingenliefde en zet de stoet in beweging richting Groene Kruisgebouw. Weer is er iemand die opmerkt dat de wijkzuster met haar solex is verdwenen. Opvallend hoeveel bezoekers haar missen, ze is echt geliefd bij ons publiek. Ik verzoek de mensen om bij het betreden van het gebouw even goed de neus op te halen, maar helaas, vandaag is er nauwelijks lysol te bespeuren. Niet getreurd, de man in bad brengt ons tot serieuze zaken. Jazeker, ze herinneren zich nog heel goed dat er thuis geen douche was. Via de badscene, het consultatiebureau en de uitleen van de verpleegartikelen komen we te spreken over het belang van de kruisverenigingen in vroeger jaren. Omdat het een groep van de vakbond betreft noem ik in één adem ook het belang van de vakbonden voor de ontwikkeling van de volksgezondheid. Je moet immers steeds afstemmen op je groep. We zijn het roerend eens. En ook in mijn voorstel verder te wandelen richting brouwerij kan dit gezelschap zich goed vinden.

Onderweg doen we eerst even de huisjes uit Tilburg aan. Geen groep kan daar immers aan voorbij.  Daar zorgt de ooievaar die voor een van de huisjes staat wel voor. Hij/zij vervult dezelfde rol als vroeger onze wijkzuster.  Ook nu weer blijken sommigen in een bedstee te hebben geslapen. Maar ik ontmasker ze: ‘ja, als logeetjes bij een oom en tante zeker?’ Dat blijkt het geval. Maar één man, ik schat een jonge veertiger, doet een kleine bekentenis in mijn oor: ‘onze oudste is in de bedstee verwekt!’‘Wat zegt u?’ Hij herhaalt , met nadruk op het laatste woord. Ik heb het dus goed gehoord. Knap stukje werk, denk ik, staande bij die toch wel erg krappe ruimte in het eerste huisje. Omdat hij dit zo fluistert deel ik dit maar niet met de groep. Als rondleider moet je je publiek immers aanvoelen, ‘lezen’ noemen we dat.

Na afloop deel ik het wel met een oudere, ervaren collega. Tussen een slok en een hap reageert hij terwijl hij peinzend in de verte kijkt, op de wijze waarop hij talloos andere feitelijkheden in het museum toelicht:’t zal wel zittend gebeurd zijn’.

Het is duidelijk: voor hem is het slechts een detail uit het dagelijks leven dat we hier presenteren.

 

dinsdag 30 oktober 2012




Volgroeid 

Ik loop met een groep langs het TBC huisje in het museum. ‘Weet u wat dat is?’ vraag ik gewoontegetrouw. Ja hoor, dat weten ze nog wel. ‘Daar heb ik ook in gelegen’, zegt een forse, wat oudere man.  Bingo!, denk ik, en ik vraag belangstellend hoe lang hij erin gelegen heeft. ‘Een jaar lang. Je kon hem op de zon draaien.’
‘Ja dat was juist de bedoeling’ zeg ik, ‘kijk maar hij staat op een ronde rails.’
‘Ja maar dat was helemaal verkeerd!’zegt de man met nadruk.
‘O ja? ’
‘Ja want de ultraviolette straling wakkert de tuberculosebacil juist aan, maar dat wisten ze toen nog niet!’  We praten wat door over TBC,  generaties lang een van de voornaamste doodsoorzaken. Iedereen herinnert zich nog het ‘doorlichten’ voor zo’n kast met röntgenstralen, hoe je daar voor moest staan, kin omhoog, borst vooruit en de ellebogen breed opzij.  Ook de TB krasjes komen ter sprake ‘Als je ging solliciteren moest je nog heel lang zo’n krasje halen.’  De hele groep knikt. Nog wel tot begin jaren negentig, leer ik.

Eigenlijk zou Jan Vaessen, de vorige directeur, een keer mee moeten met zo’n groep als deze, van de museumplusbus, bedenk ik. Hij wilde een museum dat bezoekers prikkelt om ervaringen te delen. Nou, dat geschiedt hier als vanzelf. Je hoeft alleen maar even stil te blijven staan.
Veel tijd om te mijmeren heb ik niet, de eerste spreker neemt weer het woord:
‘Ik kreeg ook extra veel gezonde voeding, ik moest aansterken. Op het laatst was ik zo dik dat ik mijn benen niet meer kon zien! Je bent volgroeid zeiden ze!’ Ik zeg maar niet dat hij dat naar mijn indruk nog steeds is.
 
Een paar dagen later lees ik in de krant een artikel over uithuisplaatsing en jeugdzorg. Het blijkt dat er tegenwoordig kinderen uit huis geplaatst worden omdat de ouders niet zien dat ze  ‘volgroeid’ zijn. En dat terwijl ze nooit een TBChuisje van binnen hebben gezien…

 

vrijdag 12 oktober 2012


Het presenteerblad

Bedsteden mogen zich altijd verheugen in meer dan gewone aandacht. Moderne stervelingen kunnen zich niet voorstellen hoe onze voorouders in deze kleine muurkastjes hebben kunnen slapen, liefhebben, baren, ziek zijn en sterven.  Omdat de groep vrijwilligers van de Parkinsonvereniging die ik vandaag rondleid bepaald niet tot de jongste generatie behoort, doe ik in het boerderijtje uit Harreveld  een gok: Wie van u heeft vroeger als kind in een bedstee geslapen? Ja hoor, zelfs twee personen! En met hoeveel kinderen lag u erin? De een heeft met drie, de ander zelfs met vier kinderen in een bedstee geslapen! ‘We lagen als sigaren in een kissie’ zegt een meneer, en dat ging best in zijn herinnering.
Het bevordert de groepssfeer en ook ik krijg vleugels: ik schilder vanuit mijn eigen jeugdervaring hoe de jongens en de meisjes (uiteraard gescheiden) eenmaal per week op rij opgesteld naast een teil  gewassen werden. Weer raak: verschillende gasten delen dezelfde herinnering.

Druk pratend steken we over naar een boerderijtje uit Vierhouten waar de gastvrouw ons vertelt over het opknappersgoed. Ze maakt een opmerking over de slechte kwaliteit stijfsel tegenwoordig. Meteen krijgt ze advies vanuit de groep: ‘dan moet je aardappelsago gebruiken!’

Ik amuseer me kostelijk en geef de gastvrouw een hint door op te merken dat ik de kleding toch wel een beetje donker van kleur vind. ‘Oh maar  het vrolijke hebben we ook wel, dat hebben we eronder’ zegt ze terwijl ze kast in duikt. Ze haalt een fleurig gekleurde damesonderbroek te voorschijn. Het is een broek zonder kruis erin , toont ze de verbaasde bezoekers. ‘Kijk eens wat een mooi open rijtuig’, terwijl ze het voor houdt. ‘Na een lange kerkdienst was het op de terugweg wel heerlijk als je even naast de weg kon gaan zitten als je hoge nood had. En dan was die open broek onder je lange rok wel makkelijk!’ Ze vertelt dat het ook wel het gluurgordijn werd genoemd.
Even later komt de lange herenonderbroek te voorschijn. Een broek met een grote klep van
voren. ‘Weet u hoe die klep ook wel werd genoemd?’ vraagt de gastvrouw? Nee, dat weten ze niet. Ze buigt zich een beetje naar voren en zegt met zachte stem: ‘ze noemden het ook wel het presenteerblad’. Ha, dat vinden ze leuk, alom gelach!

Zo zie je maar: het verschil tussen een VMBO-groep of een groep volwassenen is toch minder groot dan je soms denkt. Het oude ondergoed doet het bij alle groepen

Later die middag betrap ik me erop dat ik bij het passeren van Vierhouten roep: mannen, presenteer!… het geweer!

donderdag 27 september 2012



Lekke band

Regelmatig bezoeken groepen ouderen het openluchtmuseum, zo ook vandaag.  Enkele rolstoelers hebben een eigen begeleider, zie ik. Het gezelschap wordt in drie groepen verdeeld. Tot mijn vreugde tel ik in mijn groep maar twee rolstoelen. ‘Dat is een makkie!’, denk ik optimistisch. Ik duid ze voor mezelf als C en E (conventioneel en elektrisch).

Bij het aan de achterzijde binnenrollen van de woonboerderij uit Hoogmade, roept  C: ‘Meneer ik geloof dat ik een lekke band heb!’ Even kijken: nou dat is te zien, zo plat als een dubbeltje en half naast de velg! Goede raad is duur. Ik besluit eerst de hele groep naar binnen te loodsen. Het duurt nogal want vele helpende handen maken de gang door smalle deuropeningen niet makkelijker! Op de deel, bij de zitkuil bij het schilderij van mevr. Van Leeuwen (de laatste bewoonster), bel ik collega’s van de Entree om ze, zoals afgesproken, op de hoogte te stellen van mijn probleem. Uit de herrie aldaar kunnen mijn dove oren echter geen bruikbaar advies destilleren.  
Wat te doen? Een rolstoel halen op de parkeerplaats (als er überhaupt nog een beschikbaar is!)? Maar dan moet de  groep hier wel een kwartier wachten.
Met instemming van C besluiten we maar door te gaan. De meest vitale man in het gezelschap biedt zich spontaan aan als rolstoelduwer. Hij heeft nog geen terreinkennis van de Waterberg, maar dat zal veranderen!!

Als iedereen uiteindelijk Hoogmade via de voordeur heeft verlaten blijft mevr. E achter, haar rolstoel past niet door de voordeur!  Ik instrueer de groep te wachten op de kruising naar de Molukse Barak en ga met E terug via kantoor en zomerwoning. De bocht om het boerderijcomplex is tergend wijd, ik wijs E in het voorbijgaan op de afweerkruisen aan de buitenzijde van de kelder en in de hoogste versnelling  voegen we ons bij de groep.
Dan zie ik dat een collega juist een van de andere groepen de Barak binnenloodst!
Geen nood, rondleiden is aanpassen. Ik verleg de koers naar het boerderijtje uit Beltrum. Voor de zekerheid leid ik de groep eerst om het huisje naar de voorkant, want ik weet dat rolstoelen die drempel aankunnen. Maar dan blijkt ook die deur te smal voor het hightech-vervoermiddel van E.  ‘Gaan jullie maar naar binnen’, zegt ze manmoedig, ‘ik blijf wel wachten’. 

Even later stuur ik E vooruit om de monumentale boerderij uit Staphorst te ‘passen’. Over het liefdesgedicht dat is aangebracht op de tuintegels (voor velen niet de eerste associatie bij Staphorst, evenmin trouwens als het in een zijkamertje getoonde ‘venstervrijen’, maar dit terzijde) rolt ze zich hoopvol naar de voordeur. Ze hoeft het niet eens te proberen: ‘zal niet gaan’, roept ze. We zwenken af naar de grote Stolpboerderij. Even geen problemen, heerlijk!

We hebben afgesproken het hele gezelschap te verzamelen bij de poffertjeskraam in de Zaanse Buurt. Daartoe moeten we echter over de ophaalbrug. Wel eens geprobeerd een mevrouw in een rolstoel met lekke band over een ophaalbrug te duwen ? Ik wel dus… Uiteindelijk bereiken we met vereende krachten de top van deze Alpe d’Huez, waarna het voertuig tijdens de afdaling gevaarlijk naar links wil afbuigen. We corrigeren met man en macht.

Eenmaal aangekomen bij de poffertjeskraam is de begeleidster van het gezelschap nog niet gearriveerd. Niemand weet van de regeling m.b.t. de consumpties. En ‘waar is hier het toilet, meneer?’ Tja, een gehandicaptentoilet hadden ze vroeger niet bij de kermis. Maar zie, als de nood het hoogst is, is de redding nabij: ik ontwaar de leidster van het gezelschap bij de wasserij Overveen. Ik snel haar tegemoet en troon haar mee naar de poffertjeskraam.

Na een hartelijk afscheid wis ik me het zweet van het voorhoofd.
Wat ik nu maar zeggen wil: rondleiden is leuk (meestal)!

 

dinsdag 11 september 2012



Een ideetje

Op een zomerse dag besluit ik eens de groene route door het openluchtmuseum te verkennen. Ik volg de rood-witte paaltjes zonder verdere routebeschrijving. Verkeerde zuinigheid natuurlijk want het boekje is voor twee euro te koop aan de balie. Bij de watermolen raak ik het spoor kwijt. Verdwaald in mijn eigen museum, mijmer ik met lichte frustratie. Gelukkig loop ik in mijn uppie, zonder groep.

Ik zwerf wat door de kwekerij en beland later bij de Friese boerderij uit Midlum. Er zijn veel scholen op bezoek. Hier en daar zitten leerkrachten vredig met hun leerlingen in een cirkel. Ik voeg me bij zo’n kring. Het behoort tot mijn taakopvatting dat ik als rondleider op de hoogte moet zijn van wat er zoal in het museum gebeurt, inclusief de educatieve programma’s.  De kids moeten verschillende soorten graan voorzien van de juiste benaming. De leerkracht, kennelijk in tijdnood, neemt het heft in handen, ‘dat is dat’ verklaart hij druk gesticulerend ‘en dan is dit dit: spelt! Ja ? Dan draaien we de foto’s om en dan lezen we:  mo – na – le –ar’? Een lichte aarzeling is hoorbaar. Onverstoorbaar vervolgt hij: ‘Foutje,’ hij wisselt snel na-le  ‘en wat staat er nu: molenaar! Juist, nu gaan we naar de molenaar!’ Heel de groep staat op en verkast naar een schuur.

Op een akkertje lopen kinderen met eggen rond te zeulen, een heuse inspanning en dat is ze aan te zien. Nu weet ik maar al te goed dat eggen heel zwaar werk is. Niet voor niets gebeurde dat bijna altijd door twee paarden. En menig tractor is achterover gekieperd doordat er teveel eggen aan bevestigd waren. Achter me hoor ik een juf verklaren : ‘die boeren moesten vroeger echt hard werken!’Ongevraagd corrigeer ik : ‘niet alleen vroeger mevrouw’! Even later beluister ik een vermaning: ‘Als je vervelend doet dan laat ik je de hele schooltuin omploegen!!’ Nou, bij dit tafereel wil je dan wel luisteren!

Bij de Groningse boerderij uit Beerta zie ik de dorsvlegels liggen. Gevaarlijk met die kinderen, maar mij wordt verzekerd dat het tot nu toe altijd nog goed gegaan is. Ik heb echter wel eens groepen V.M.B.O. rondgeleid die ik deze vlegels toch liever niet ter hand zou willen stellen…

Wannen – zeven – breken – stampen - malen tot grof en fijn meel: ik kijk mijn ogen uit. Natuurlijk draai ook ik even aan een van de maalstenen: dat gaat nog zwaar ook!! En dan gaan de kinderen terug naar het Kindererf om daar brood te bakken.

Wat een educatie: het hele proces van zaaien tot zelf brood bakken! Ze weten nu allemaal de voorgeschiedenis van het brood.  Op mij heeft het meer indruk gemaakt dan alle lijsttrekkersdebatten van de laatste weken bij elkaar!

Misschien is het een idee om bij de volgende verkiezingscampagne lijsttrekkers die op een leugentje worden betrapt bij wijze van taakstraf twee uurtjes te laten eggen in het openluchtmuseum!