donderdag 27 februari 2014

Een roofoverval
Knooppunt Waterberg bij Arnhem geniet landelijke bekendheid vanwege de files. Het knooppunt ontleent haar naam aan het vroegere landgoed De Waterberg. Dat landgoed heeft nooit goed willen gedijen. Niet toevallig heet de naast gelegen wijk van Arnhem ‘Alteveer’, lees: al te ver. Het was blijkbaar onbegonnen werk om kruiwagens met mest helemaal tot daar te brengen. Rond 1900 waren de toenmalige eigenaren dan ook blij dat ze een deal konden sluiten met een stichting die op zoek was naar een terrein om in Nederland naar Scandinavisch voorbeeld een openluchtmuseum te beginnen. Eén gebouw stond er al: de boerderij die hoorde bij het voormalig landhuis. De pachters konden gewoon blijven wonen. Waarschijnlijk de eerste boeren die ‘boerden’ in een museum! Het witte boerderijtje staat er nog steeds,  als naaste buur kreeg het een papiermolen en in later jaren een Rietveld-vakantiehuisje. (Ik denk dat de boer het maar een-huisje-van-niks gevonden zal hebben, maar dit terzijde.)  In een bijgebouw werden een Hindeloper stijlkamer en een grutterij ingebouwd.
Tegenwoordig is de boerderij in gebruik als dienstgebouw. Het heeft dus de hele honderdjarige geschiedenis van het openluchtmuseum meegemaakt. Haar bewoners zijn goeddeels vergeten. (Met dank aan de slag om Arnhem waarbij een groot deel van het Arnhemse bevolkingsregister verloren is gegaan.)
Onlangs werd mijn belangstelling gewekt toen ik las dat de boer nog vele jaren na de oorlog op de boerderij, dus in het museum is blijven wonen. Daar moest ik meer van weten. Het is immers te gek voor woorden dat ik hele verhalen vertel over de bewoners van allerlei panden op het terrein, maar niet de bewoners van onze eigen boerderij ken!  Wat blijkt: nog bijna 20 jaar na de oorlog hebben hier de broers Lodewijk gewoond. In 1958 is Jan Lodewijk overleden. Johannes bleef er wonen en werd enkele maanden later het slachtoffer van een nachtelijke roofoverval waarbij de goede man behoorlijk is toegetakeld. En dat in ons zo vredig openluchtmuseum!! 
De komende zomer heb ik dus de bezoekers een interessant verhaal te vertellen. Daar staande onder de bomen, dezelfde bomen die ook de gebroeders Lodewijk van schaduw voorzagen, zie ik me al een spannend verhaal vertellen over twee rovers sluipend naar de deur van de boerderij… Aanschouwelijk onderwijs over waarden en normen in optima forma! En ik zal vertellen over de bommen die hier zijn gevallen en die de molen hier naast nog danig schade heeft toegebracht. Ik zal wijzen naar die andere molen, daar, die grote stenen molen. Staande tussen groepjes kinderen en volwassenen zal ik vertellen over de evacués die hier woonden,  - wel 600 in getal! - ,  ze waren verdreven uit Arnhem. Een van hen, hij sliep in die grote stenen stellingmolen,  is door de Duitse soldaten  ter plekke doodgeschoten! 
De vroegere bewoners van De Waterberg, de gebroeders Lodewijk incluis:  ik verlang ernaar ze na de winter weer tot leven te brengen. Hoe ze hier liepen, met hun kalktenen in de sokken, klompen aan hun voeten, een juk met twee melkemmers aan de schouders. Hoe hun moeder hier kookte  en water haalde uit put.
Misschien heette ze wel Marie. In dat geval zullen ze vast wel eens in een vrolijke bui gezongen hebben
Als hier een pot met bonen staat
en daar een pot met brie,
dan laat ik brie en bonen staan
                                                         en dans met mijn Marie…

dinsdag 4 februari 2014


Hoeveel gaat me dit kosten?

Met mijn hoofd vol gedachten, beelden en herinneringen aan flarden van gesprekken ga ik huiswaarts. Het is midden augustus 2013, een prachtige zomerdag. Ik heb een gezelschap uit Tilburg rondgeleid in het openluchtmuseum. Van de Zonnebloem waren ze. De Zonnebloem dat zijn meestal wat oudere, degelijk rooms katholiek opgevoede moeders, de kinderen de deur uit, maar nog vitaal en vooral erg sociaal. De ruggengraat van het dorp of de parochie zullen we maar zeggen, in elk geval goud waard. Ze doen veel bezoekwerk aan zieken en ouderen. Eenmaal jaarlijks mag dat wel beloond worden met een gezamenlijk uitje. Ik heb al meermalen het genoegen gehad zo’n groep rond te leiden.
In het Amsterdams café druk ik op de button van Tante Leen en even later op  die van Willy Alberti.  Het kan niet mis natuurlijk: de hele groep zingt en deint uit volle borst. De sfeer zit er goed in. Vervolgens leid ik ze langs een portret van Aletta Jacobs. Even uitleg. Ja dat is toch wel aardig van het museum dat ze haar zo een ereplaats geven. Toegegeven, met zo’n groep is het voor een rondleider makkelijk scoren. Zij hun uitje en ik mijn ego als rondleider, denk ik dan maar.
In de tram verlies ik ze een beetje, maar de tuinkabouters bij Dingenliefde zijn altijd behulpzaam om de groep weer bij de les, c.q. de rondleider te krijgen, want waarom staan die tuinkabouters nou hier?
Bij de wijkzuster (met solex) en het kruisgebouw komen de verhalen vanzelf. In het huisje uit de zestiger jaren: het rotan, de weckflessen, het oranje, het macramé, de babykamer: leuk om daar met deze groep rond te lopen. Je hoeft maar één vraagje op te werpen of de verhalen barsten los. Witte-ge-nog-zus en witte-ge-nog-zo?

Goed, ik zit dus in de auto met een hoofd vol gedachten, ik betrap me erop dat de tulpen uit Amsterdam door de auto schallen. En dan plotseling, op de tweede rotonde in Rozendaal een lazerpistool op me gericht….
Meneer weet u hoe hard u reed?   71 Kilometer dus, in de bebouwde kom.
Mag ik uw rijbewijs zien? Ik kan alleen het pasje van het museum tevoorschijn toveren. Dat is geen rijbewijs maar gevoegd bij mijn eerlijk voorkomen blijkbaar toch vertrouwenwekkend.
Hoeveel gaat me dit kosten?  De agente is de beroerdste niet, ze kan dat wel even voor me nazien:  151 Euro vermeerderd met 7 euro administratie …
Enkele weken later komt de bevestiging middels een acceptgiro. De dames uit Tilburg worden bedankt, heb ik een heel jaar voor noppes rondleidingen gegeven!
Eenmaal thuis begrijpt Marian – als ervaringsdeskundige – mijn gevoelens maar al te goed, maar ze kan enig leedvermaak toch niet helemaal verhullen.



donderdag 23 januari 2014


De nieuwe schoenen van de voorzitter

Elke zaterdagochtend verzamelen we ons om een uurtje te hollen over de Veluwezoom, meer specifiek: door de bossen achter kasteel Rozendaal. ‘De Bedriegertjeslopers’ noemen we ons. Ik haast me altijd die naam uit te leggen voor wie het fenomeen ‘de bedriegertjes’ niet kent van vroegere schoolreisjes. Met die kleine fonteintjes in het naburige park hebben wij echter niets van doen. We gebruiken alleen de parkeerplaats als onze verzamelplek. Soms is het onze hangplek. Zo ook de eerste zaterdag van dit jaar. Een grote groep had zich verzameld. De voorzitter schonk vanuit de kofferbak van zijn auto glühwein, deelde  oliebollen rond en iedereen wenste iedereen ‘de beste wensen’. Ik ben er niet bij geweest maar hoorde van verschillende kanten hoe gezellig het was geweest en hoe goed het wel niet gaat met ons kluppie.
Hoe anders afgelopen zaterdag.  Slechts een heel klein een groepje meldde zich aan de start. Het leger geblesseerden lijkt welhaast talrijker dan het aantal loopfrisse matadoren. Even na negen uur zijn we toch maar vertrokken, je bent immers niet vroeg opgestaan om alleen maar te blijven wachten, nietwaar? Eenmaal bij het kerkhof heeft G. een revolutionair idee: om de overvloedige blubber, vrucht van overijverig bosbeheer door het Gelders Landschap,  te vermijden lopen we een ongebruikelijke route: de Rozendaalse Veldloop in omgekeerde richting. Als we goed en wel op pad zijn worden we gepasseerd door enkele vrouwen, op enige afstand gevolgd door één man: het is de onlangs gestarte trialgroep. Deze ochtend nog slechts vier vrouwen en een man sterk. Maandagavond – ook een gezamenlijk loopmoment -  hoorde ik dat ze onderweg waren opgeschrikt door een koe met wel heel grote horens. Het dier kon waarschijnlijk haar ogen niet geloven bij het zien van zoveel schoons.
Maar goed, ik ben er niet bij geweest, ik liep in het andere minigroepje. Het viel ons op dat onze voorzitter  heel voortvarend vertrok. Maar hij loopt sinds twee weken dan ook op nieuwe schoenen. Niet zomaar schoenen, nee, heel speciale. Ik was op maandagavonden al getuige geweest van overleg met H. Die zweert erbij om zijn schoenen via internet te kopen. Maar dat heeft onze voorzitter toch niet aangedurfd. Hij is toch maar naar onze eigen leverancier gegaan. Een eindje op de band gelopen en ja hoor, je voelt het aankomen: blijkt hij toch niet helemaal koosjer te lopen, moet een hakje in een van de schoenen, zo zie je toch maar de meerwaarde van een winkel. Goed, Bas – zo heet onze voorzitter - vertrekt dus full speed, voor zover die term op zaterdagochtend van toepassing is (en het belet, zoals boven gezegd, de vrouwen van de trialgroep ook niet om ons vrolijk kwetterend te passeren). Bij onze tweede stop, aan de rand van de Rozendaalse heide hebben we nog weer eens goed de nieuwe schoenen bekeken. Bas vertelt dat het Asics zijn. Hij is bereid volop tekst en uitleg te geven. Halverwege de beklimming van het Kerkepad waar het groepje als gewoonlijk ietwat uiteenvalt bedenk ik dat het de laatste tijd wat minder vaak over geavanceerde polscomputers gaat en weer wat meer over schoenen. Die blijven toch de basisuitrusting van het lopersgilde, en iedereen kan erover meepraten.
Via de Koningsweg waarvan ik me verder geen bijzonderheden herinner, belanden we op de Tankweg, een lange brede zandweg. Als ik samen met G ongeveer driekwart heb afgelegd ontwaren we de voorzitter in het groepje vooraan dat de bocht al om is. Hij heeft er zin in vandaag!  Uiteraard bereiken ook wij – in eigen tempo – het bos. Daar kijkt hij niet echt fris meer en hij zegt dat het wel een beetje speedy ging. Tja, dat hadden wij op afstand wel gezien, sterker nog: we hadden voorspeld dat hij straks iets in die trant zou zeggen. Om hem op te monteren zeg ik tegen hem: ja joh, berouw komt na de zonde. Maar ik begrijp het wel, je bent jong en je wilt wat, of iets in die trant. De voorzitter is sinds enkele jaren pensionado, maar straalt het nog niet echt uit. Na een korte rust is hij weer helemaal op verhaal en ‘de bulten van Theo’  bestijgt hij weer in koppositie! ( Wij zijn gewend enkele lastige of opmerkelijke passages in het parcours te vernoemen naar leden uit ons illuster gezelschap. Zo kennen wij ook ‘de plas van Jan’, maar die is inmiddels gedempt door het overijverig Gelders Landschap. Maar dit terzijde). Hij dus weer in koppositie, wat een paar nieuwe schoenen al niet vermogen!
Terug op de parkeerplaats hanteren we allemaal een handdoek en trekken we een schoon flanelletje over onze bezwete lijven. Bij de koffie uit de kofferbak komen de verhalen los. Uiteraard bespreken we hoeveel kilometer we exact gelopen hebben - de polscomputers zijn het nooit eens met elkaar - hoe zwaar die bulten vandaag wel waren, wie wel of niet de reegeiten heeft gezien, en meer van dat. Soms zijn de verhalen wat intiemer.  Deze ochtend vertelt C over zijn familie, meer in het bijzonder over Cees-momenten. Gevraagd wat dat zijn geeft hij enigszins beschroomd een voorbeeld. Het spreekt boekdelen, maar om het nou hier in extenso weer te geven..nee dus.
Eén ding moge duidelijk zijn: een mooier begin van het weekend dan zo samen door bos en heide te struinen is haast niet voor te stellen.  
En… pensionado of niet, je blijft er jong bij, kijk naar de voorzitter!



dinsdag 21 januari 2014

Een Berini voor een scheet
In de benedenruimte van het Entreegebouw is een tentoonstelling over winkelinterieurs van  kleine ondernemers. Ik loop er rond tijdens een van de laatste dagen van het jaar. Het is overal in het museum ontstellend druk maar niet in deze expositie. Hier is het heel rustig. Ik ben hier ‘in mijn uppie’ en bekijk het interieur van drogisterij Christiaanse (Leiden, tot ongeveer 1960) en lees dat ze binnen en buitenlandsche geneeskrachtige kruiden met -sch verkopen. Dat –sch is blijkbaar nog gewoon, maar geneeskrachtig is expliciet cursief gedrukt. Op de toonbank zie ik Diacon rust en kalmeringstabletten. En ook vermageringstabletten om zonder gevaar af te vallen! Dus toen al, midden vorige eeuw, brachten gestreste volwassenen elkaar het hoofd op hol. Nota bene in mijn jeugd en ik heb er nooit iets van gemerkt. Waren mijn ouders zo verstandig of ik zo onnozel, vraag ik mij nu af.
Aan de rechterwand staat een heuse Berini brommer. Terwijl ik die sta te bekijken komt er een echtpaar binnen. Hij loopt, of beter gezegd hij duwt een rollator. Hé, die brommer, zegt hij tegen zijn vrouw. Ik zeg: dat is een Berini. (Of je nou met een groep loopt of alleen bent, je blijft een rondleider, nietwaar?) Hij is een en al belangstelling, heeft tot zijn 25e in fietsen en brommers gezeten, zo blijkt.  Nu is hij 85! Dus zestig jaar geleden moet hij onze ouders de eerste generatie brommers hebben verkocht.  En dat blijkt ook wel want hij zegt: Ik verkocht Berini’s met een eitje onder het stuur, dit hier is een later type!  We hebben ook nog Lohman verkocht, die kwam uit Duitsland. Die moest je aantrekken met zo’n riem, hij liep op diesel en als je wind tegen had moest je meetrappen. Hij koste een scheet en drie dubbeltjes. Het is nooit wat geworden, er werd niet genoeg aan verdiend. Dan hummelt hij verder met zijn rollator. Ik had nog wel willen doorpraten, dan had ik hem verteld van de Rolemo van mijn vader en de solex van mijn zus, maar hij moest achter zijn vrouw aan.
Ik bekijk de metershoge foto’s die hier hangen van bekende Arhemse winkelstraten  eens goed. Op het Land van de Markt (1963) lopen alle mannen zonder uitzondering in colbert, wit overhemd  en met een stropdas. Heel wat collega rondleiders en andere pensionado’s in het museum hebben er toen zo bijgelopen als ze de stad in gingen, naar de markt of ter kerke gingen, bedenk ik. Niets wijst nog op de bezetting van het Maagdenhuis en de revolte in Parijs enkele jaren later.  Maar pas op : niet voor niks verkocht Christiaanse al kalmeringstabletten en riep de toenmalige paus een wereldconcilie bijeen: onderhuids gistte het al in die tijd.
De foto van de Grote Oord (1980) is een wereld van verschil: alle mannen informeel gekleed in een los overhemd, knoopje los, je ziet niet één stropdas. Tussen beide foto’s liggen de bezetting van het Maagdenhuis, het optreden van de kabouters (Het Lievertje !), de revolte van Parijs en ook mijn eigen onvergetelijke studententijd. Wat was het boeiend en roerig, en wat lijkt de Grote Oord dan in 1980 weer rustig.
Maar niet alles is weer als vanouds. Het colbertje en de stropdas zijn niet meer teruggekomen, we zijn ons informeel blijven kleden.  Zelfs de meneer van de Berini van zo even,  met zijn rollator: hij droeg onder zijn jas een trui, en daaronder geen stropdas, zeker weten!
 En de blinde sigarenwinkelier Dick Fries uit Aalten, wiens winkelinterieur hier een plaats heeft gekregen, zou hij het colbertje en de stropdas ook terzijde gelegd hebben? We zullen het niet weten, zijn dochter vertelt er niet over in en overigens bijzonder boeiend geluidsfragment. Wel vertelt ze dat hij alles uit zijn hoofd deed en dat hij ‘zo verschrikkelijk goed’ kon hoofdrekenen. Hij nog wel!

Meneer Fries, meneer Christiaanse en al die andere kleine winkeliers, een beetje weggestopt daar onderin het Entreegebouw, ik zou graag de hoed voor ze afnemen. Maar waar vind ik zo’n ding?  Sinds de brommer is ook die van mij definitief afgewaaid.

donderdag 26 december 2013



Maatschappelijke verantwoordelijkheid


Al wekenlang zijn er kinderen bedrijvig in de weer met wat hooi in de Grote Weide in het museum. Van alle kanten heb ik gehoord dat het werk op het land een groot succes is. Als boerenjongen verbaas ik me daar een beetje over. In mijn jeugd stond ik elke zomer met een hark of een gaffel op het land. Hooien, dat was handwerk waarbij ook kinderhandjes heel bruikbaar waren. Nog herinner ik mij de blaren in mijn hand na een ochtend, zoals we zeiden, zwillen hooi aanharken. Een zwil is een rij gedroogd gras, het is maar dat u dat weet. Tenminste dat was het ten oosten van Zwolle. Voor mijn gevoel is er niets speciaal aan het zwoegen met hooi, maar dat is voor hedendaagse kinderen natuurlijk wel anders. Als ik de berichten van Het Kindererf mag geloven is het ronddarren in de openlucht op zoiets als een weide voor hedendaagse kinderen een letterlijk ongekende sensatie.
Al een tijdje loop ik met het voornemen het maar eens een keertje in ogenschouw te nemen. Nu voeg ik de daad bij het voornemen. Ik word toegelaten door het hek. Dat blijkt behoorlijk uitzonderlijk want het is een gezinsactiviteit waarbij doorgaans geen plaats is voor individuele pottenkijkers zoals ik. Met mijn handen op de rug loop ik er tussendoor, kijkend, luisterend, en ruikend op zoek naar het mysterie van het hooiland.
Met mijn kennis van vroeger zie ik dat het ‘hooi van niks’ is. Het is totaal versleten, uitgepierd. Logisch natuurlijk, want het is al honderd maal op een ruiter opgetast en weer opnieuw op het land verspreid. Het is heel moeilijk dit dunne hooi op een ruiter op te tasten zó dat het blijft liggen.
Kleine Jos doet zijn best maar driekwart van alles glijdt meteen weer naar beneden. Opa  - zo te zien één brok ervaringskennis - staat er hoofdschuddend bij.  Dan zegt hij terwijl hij een stap naar voren doet: ‘Dat moet je zó doen, geef mij die gaffel eens!’
Jos, hoogstens acht jaar oud, antwoordt zonder zelfs maar op te kijken: ‘pak er zelf een’, en gaat onverdroten verder.
Ik sta paf! Hoe dit joch en plein public in vier woordjes zijn opa voor schud zet. Ja zelfs van zich afschudt want ik zie dat opa letterlijk een paar stapjes terugdeinst.
Staande op een meter afstand voel ik me wat ongemakkelijk. Ik doe maar alsof ik niets gehoord heb en vertrek maar weer eens. Op weg naar het entreegebouw zit het me echter  niet lekker dat ik niets heb gezegd.
En inmiddels enkele maanden later denk ik nog steeds dat ik had moeten ingrijpen. Ik had moeten corrigeren, mijn zichtbaar gedragen museumbadge had me gezag gegeven.  Hé Jos, zo praten we hier niet tegen opa!
Stukje opvoeding, maatschappelijke verantwoordelijkheid, toch? 



zondag 15 december 2013

Ocriet, reinigen met VIM

Het is hoog zomer, ergens in augustus. Ze hebben er zin in, de vier dames en één man. De dames zitten druk pratend aan een tafel in het koffiehuis, meneer zit er wat stilletje bij. Ik zeg dat ik geen haast heb, geniet u rustig van uw koffie, het is uw uitje vandaag, toch?  Ik probeer wat contact met meneer, maar dat valt nog niet mee. Zijn communicatie beperkt zich vooralsnog tot zinnen van twee à drie woorden. Ik begrijp dat hij in Singapore woont, en dat schijnt al vele jaren zo. Om de twee jaar komt hij naar Nederland. Als ik zover ben - we zijn dan inmiddels een paar minuten verder - maken de dames aanstalten tot opstaan. We besluiten onze rondwandeling te richten op ‘wonen in Nederland’. Met vier dames moet dat lukken, denk ik.  Ik stel voor te beginnen op het platteland en dan via Amsterdam naar ons tijdstraatje in Tilburg te gaan. Dat vinden ze best.
Welgemoed gaan we op weg, te beginnen in Harreveld, de plaats in ons museum vanwaaruit al meer gezelschappen vertrokken zijn dan er ooit hebben gewoond. Alras kakelen ze er weer lustig op los. De bedstee, de plee, de stamppot, het komt ze niet onbekend voor, zo blijkt. Een van hen heeft wel in een bedstee geslapen, de anderen niet. Even later kijken we rond in ons Amsterdam. Het postkantoor, ja dat herkennen ze goed, maar de rest roept niet veel herinneringen op. De tram dan maar, het kost ze geen moeite de 10 minuten wachttijd vol te praten, d.w.z. de dames. Ik krijg een beetje meelij met het vijfde lid van de familie.
In Tilburg roept het derde huisje heel veel herinneringen op. Ocriet reinigen met VIM, weet je nog, ocriet reinigen met VIM, roept er een enthousiast. Ze staat bij het aanrechtje onder de geiser.  Ja, dat herkennen ze. Ik zeg dat ik nog steeds niet goed het onderscheid zie tussen graniet en terrazzo. Nee, dat is geen terrazzo meneer, dat is ocriet. En weer: Ocriet, reinigen met VIM, weet je nog? Ik ben werkelijk verbaasd. Ocriet? Vim, dat ken ik, maar ocriet? Nooit van gehoord. De dames houden aan: het is ocriet, en niks anders. Ik zeg dat ik het zeker ga uitzoeken. Even later in de schuur komen we aan de praat over de wasmachine en de douche. Nee, geen wasmachine, we hadden een lavet, zegt er een. En weer beginnen ze over ocriet.
In het vierde huisje, boven, bij de babykamer hoor ik ze praten over een pitrieten wiegje, of vader dat zelf gevlochten had vroeger.
In de tram terug wordt er een papiertje georganiseerd en schrijven ze: ocriet. Ik stop het papier in mijn borstzakje. En je moest het schoonmaken met vim?
Ja, met vim! 
Ik wijs ze de weg naar de kruidentuin en we nemen hartelijk afscheid.
Thuis google ik ocriet.
Warempel: Bruynzeel heeft in 1938 een klein ocrietfabriekje uit Baarn overgenomen voor het fabrieksmatig produceren van aanrechtbladen. Het lavet heeft trouwens een grotere vlucht genomen dan de aanrechtbladen. Ocriet, zo leer ik, is gelige steenslag gebonden in wit beton.
Het mooist van alles is wat ik lees op een bijgeplaatste foto: OCRIET REINIGEN MET VIM

vrijdag 29 november 2013


Gaat niet door ..
Om 6.45 opgestaan. Vanmorgen training in Nijmegen. Mijn hoofd zit vol gedachten: hand tegen elkaars hand.. rug tegen elkaars rug.. Ze noemen dat een oefening in ‘volgen’. Nou, als het dan moet.. hoe vaak heb ik dit soort grappen nu al.. en dat voor dit kleine flutbaantje..
8.00 uur Nijmegen: een overvolle bushalte met 4 stuarts!  Even later opgehokt in de bus naar Heyendaal.
4 Trappen op. Kom je voor de training? Die gaat niet door
- T’ is niet waar..!
- Er is gemaild
- Wanneer?
- Gisteren.
 - Hoe laat?
-  19.45 uur..
- Toen had ik mijn loopavond en na het douchen om 21.30 heb ik bij wijze van oefening de laptop niet meer opengedaan.. God straft meteen!
 Lullig!
Vindt Esther ook, ze staat met een hand vol declaratiepapieren, ja ik mag ook gerust declareren, zegt ze. En een  kop chocola, zo dat lucht een beetje op.
Station Nijmegen: geen treinverkeer tussen Nijmegen en Arnhem…
Ik neem weer een kop chocola en lees: blijf je verwonderen…Dat probeer ik.
Bussen:   Bemmel en Huissen bijna aan elkaar gebouwd.
Huissen en Arnhem ook.
Station Arnhem: sprinter naar Zutphen juist vertrokken..
Half uur wachten, geen chocola.
Ik lees: topmanagers hebben een half uur meditatie nodig om hun emotionele intelligentie te scherpen. Ook daar zijn trainingen voor!
En: stijging goudprijs, profvoetballers vaker doelwit criminelen.
Op zo’n verloren ochtend leer je nog eens wat!