zaterdag 30 januari 2016


Lief die oudjes 

Ik loop over het Zaanse Plein. Bij de bakker snuif ik weer even die heerlijke lucht van de verse bakker op. Ook al blijf ik brood bakken en een smederij een vreemde combinatie vinden, het ruikt er toch altijd heerlijk. Een smederij zegt u? Jazeker, de op takkenbossen gestookte oven van onze bakker staat in de vroegere smederij Van Klinkenberg uit Koog aan de Zaan. De ventilatieluiken om de rook te laten ontsnappen zijn nog aanwezig. Het is hier in het museum vastgeplakt aan een vroeger woonhuis /boekenwinkel uit Zaandam. Het museum heeft dus iets heel nieuws gecreëerd, maar het heeft wel een vreselijk authentieke uitstraling. Zo authentiek dat ik er bijna altijd mensen aan kwijtraak als ik er met een groep langsloop.
Dit keer loop ik dat gevaar niet want ik heb geen groep bij me. Ik zet me op een bankje en even later krijg ik gezelschap van een moeder met dochter.
Dochterlief vraagt: ‘Waarom koop je een krentenbol mamma, dat deed oma vorige week in de dierentuin ook.’ Ik moet op het puntje van mijn tong bijten om niet te zeggen: omdat we Nederlanders zijn, door de week eten we stamppot en als we uitgaan een krentenbol. 
Ik had ook kunnen zeggen: omdat jullie niet uit Arnhem komen, in Arnhem eten we Arnhemse meisjes. Maar ik denk dat in dat geval noch dochterlief noch mama er iets van had gesnapt. Arnhemse meisjes, die eet je toch niet, daar ga je mee naar de Korenmarkt, toch?
Later bedenk ik dat voor die Arnhemse meisjes in vroeger dagen echt geen bezoek aan de  Korenmarkt was weggelegd. Ze moesten op zondagochtend naar de kerk en daarna uitrusten want op zondagavond begon het alweer: dan werd de was alvast in de week gezet. De eerste fase van het arbeidsintensieve proces dat zich elke week herhaalde:
Weken - broeien – schrobben – loogbad - bleken – spoelen – persen- plakken (droog toeslaan) – drogen – strijken – vouwen – opbergen. En na de witte ook nog de bonte was!
Ook al werkten ze niet in een van de vele wasserijen langs de sprengen en beken ten noorden van Arnhem, het was toch een heel gebeuren. Ik zie het tafereel voor me op de landjes achter de huisjes uit Tilburg of op die achter de huizen op de Arnhemse Geitenkamp. Bejaarde mensen daar spreken meestal nog over hun ‘landje’ in plaats van over tuin.
Maar goed, dit uitgebreide wasgebeuren is sinds de intrede van wasmachine en droogtrommel, geschiedenis geworden. Het had van mij opgenomen mogen zijn in de canon van de Nederlandse geschiedenis. een canonvenster dus. Wat hebben die vrouwen gewerkt! De huidige Arnhemse meisjes hoeven  ‘alleen nog maar’ wit en bont te sorteren, op te hangen en af te halen, te strijken, op te vouwen en weg te werken. Oké, het komt wekelijks terug, maar in vergelijking met vroeger niet om over te schrijven. Bovendien: menige man heeft tegenwoordig een papadag juist op maandag. Of vergis ik me nu?
Hoe dan ook het ging over die krentenbol. Mijn laatste krentenbol at ik een paar maanden geleden in de trein. We hadden de expositie over Werkman bezocht in het Gronings museum. Op de terugreis aten we in de trein onze boterhammen en een krentenbol. Twee jonge vrouwen stapten in. Zegt de een tegen de ander: ‘lief, die oudjes met die boterhammen.’

Oké, dat zijn wij dus… 

zaterdag 16 januari 2016


Brrr natte sneeuw

Het regent een beetje. Het wordt een natte loop vandaag. Als ik de deur uitloop zie ik net Ingrid de hoek om fietsen. Halverwege de Rozendaalse Laan stopt een auto: Ton Fransen biedt me een lift aan. Nee, dank je ik vind het heerlijk om vijf minuutjes in te lopen. Altijd, elke zaterdag is er wel een loopmaatje die stopt om me een lift aan te bieden, en altijd bedank ik. Gek, dat lopers denken dat je het erg vindt om te lopen zelfs als je voor de lol gaat lopen. In de verte zie ik Els voor me lopen. Benieuwd hoe het met haar blessure is.
Er staat een grote groep vandaag, Blijkbaar is er dus nergens een trail. Als voorzitter Bert me ziet tovert hij meteen een waardebon voor mij tevoorschijn. Kijk dat noem ik nou een hartelijk onthaal! Bas probeert nog even: waarom jij wel en ik niet, maar dat is een flauwe. Later vanmorgen zal bij hem de lust om grapjes te maken langzaam maar zeker doven. Daarvan heeft hij nu echter nog geen flauw vermoeden.
Ruim te laat, want vijf over negen, besluiten we te starten. Cees kiest vanmorgen de Velpse kant van de parkeerplaats. Meteen de eerste meters in het bos is het al raak. Blubber, sporen van brede banden, diepe voren met water, we glibberen het bos in. En dat blijft zo want het Gelders Landschap heeft besloten de Koningsberg om te ploegen tot een wandelpark zoals dat eeuwen geleden blijkbaar is geweest. Tja, als je medewerkers in dienst neemt om subsidies aan te trekken dan is dit het gevolg… Onvoorstelbaar wat voor een ravage er in één week tijd al is aangericht, en hoeveel blubber dat oplevert!
Als we de sportvelden bereiken heeft de helft van ons al natte voeten. Ik hoop dat Cees rechtsaf gaat, maar nee hij besluit linksaf omhoog het bos weer in te gaan. Ojé, vorige week was het al zo’n kliederboel, het zal na de regen van deze week nog erger zijn, denk ik. Maar ja, als stadsmens denkt Cees zelfs bij regendagen niet aan het bos. Ik wel en mijn gelijk wordt snel bevestigd. Glibberend en glijdend klunen we naar boven. Boven bij de verharde weg blijkt er al een gapend gat met de achterhoede. Ik heb nu al medelijden met Els, wetend van haar hamstringblessure. Maar Cees kiest het pad achter de Emmapiramide naar het noorden. Dit is begaanbaar maar ik weet wat er straks gaat volgen:  iron man Cees kiest straks – zeker weten -  niet het asfalt naar links of rechts. Precies zoals ik dacht gaan we rechtdoor omhoog het zandpad naar de Zijpenberg op. Arme Els, nu wordt het menens! Normaal is het pad berucht vanwege de stijgingen door het rulle zand. Maar nu is het één lang, glad blubberig pad waarover we hink-stap-springend naar boven klimmen. Halverwege staat er plompverloren een auto. Hoe die daar komt en vooral weer wegkomt is mij een raadsel. Ik kijk achterom en zie dat Ronald wacht op Els die verder beneden in haar gele jack aan komt klimmen. Mooi, dan kan ik dus verder klunen. Els is in veilig gezelschap want mocht er iets gebeuren dan weet ik dat  Ronalds polsapparaat alles opslaat: stops, afstanden, coördinaten, hartslagen enz.  Ik kluun dus verder. Zo’n tweehonderd meter onder de top kan ik het asfalt  kiezen. Ik  aarzel ik geen seconde vermoedend dat Sjoukje en Nancy  dit voorbeeld zullen volgen, maar nee hoor als echte mannen klunen ze verder over het pad. Op de top staat de voorhoede te wachten tot de hele ploeg weer bijeen is.
Dan kiezen we een afdaling, zo mogelijk nog gevaarlijker want de holle wegen nodigen uit tot zijwaartse glijpartijen .Onze Harry heeft dan bedacht dat er nog wel een ommetje mogelijk is. Uiteraard een helling en dan via een afdaling over verborgen boomwortels toch richting de vijver van Beekhuizen. Dan begint het te  sneeuwen.  Het doet me deugt dat Harry noch de iron man van vanmorgen de weg langs het zwembad kiezen maar nu opteren voor de gebaande weg door Velp richting de Pinkenberg. Ik vraag Els even of ze last heeft van de blessure. Ja, ik voel hem, zegt ze, maar ik doe het zo graag, daarmee bevestigend dat ze echt bij de Bedriegertjeslopers hoort.  Want zo is ons cluppie: we lopen bij weer en geen weer, in alle seizoenen. Sterker nog: als even later de sneeuw ons ouderwets in het gezicht striemt, zeggen we: heerlijk hé !!
Op de parkeerplaats staat Wilma nog te wachten. Dat wisten we. Wat  we niet wisten is dat de snelle lopers die zichzelf de naam trailgroep  hebben  toegedacht, deze ochtend al voortijdig hebben afgehaakt.  De vraag wie de echte trailgroep vormen is nu dus in alle duidelijkheid beantwoord.
Terwijl we bij de kofferbak genieten van Wilma’s koffie zijn we er getuige van  hoe iron man Cees zich in de striemende sneeuw omkleedt. Zelfs hij heeft koude handen, het lukt niet zo goed, en uiteindelijk staat hij erbij als een buideldier  met een capuchon bungelend onder zijn kin. Vanonder paraplu’s met een beker warme koffie in onze hand  - wij wel ! - aanschouwen we het tafereel.
Nancy besluit dan enkele foto’s te maken om later haar kinderen  te kunnen laten zien dat ook zij deze dan legendarische helletocht heeft volbracht.  Maar ze staat er zelf niet op. Iron man is dan zo galant  om het toestel even over te nemen. Kom op Cees, ik sta te verkleumen, roept Wilma. Maar hoe Cees ook zwoegt, een stap naar voren, nog eens inzoomend, hij krijgt het niet voor elkaar.
We gaan naar huis. Dankbaar maak ik nu wel gebruik van de lift die Bas aanbiedt.  

P.S.:

Juist deze week besloot het bestuur van de stichting De Bedriegertjeslopers  al haar leden een reanimatiecursus aan te bieden.

woensdag 6 januari 2016


Mama’s tas


Ik loop van het administratiegebouw richting ijsbaan. Het is de zondag van Winter Landleven, en dat is te merken. Op de Schelmseweg keren tientallen automobilisten het wachten beu, hun automobiel. Als ik de rotonde nader zie ik de oorzaak: vele voetgangers naderen langs het restaurant omhoog de Schelmseweg en de verkeerregelaars zijn zeer attent voor hen.
Ik val zogezegd met de neus in de boter. Het publiek wordt gevraagd de baan vrij te maken voor een demonstratie schoonrijden op de schaats ‘ de oudste tak van ijssport in Nederland, en uniek in de wereld’, het is maar dat u dat nu dus weet. De demonstratie zal gegeven worden door de streekdrachtengroep van de Landelijke Vereniging van Schoonrijders, zo hoor ik. Daarvoor maken alle schaatsers graag ruim baan, het publiek omzoomt het hekwerk en even later neemt een twaalftal kleurrijke paren zwierend bezit van de baan. En het moet gezegd: het is een lust voor het oog, een plaatje! Terwijl ze zwierend hun rondjes schaatsen legt de commentaarstem de betekenis uit van het gezegde: het met iemand aan de stok krijgen, dan wel: iemand aan de stok krijgen. Ik denk aan mijn ouders die in hun jonge jaren bij elkaar aan de stok van Zwolle naar Kampen schaatsten. Ik dank er vermoedelijk mijn bestaan aan. Thuis google ik nog even, en jawel hoor: de Landelijke Vereniging van Schoonrijders heeft een eigen website en onder de button streekdrachtengroep zie ik een foto waarop ik verschillende dames van vanmiddag herken. Ze treden op, zo lees ik, tegen onkostenvergoeding (dus een koopje voor Landleven, maar dit terzijde).
Een uurtje later ben ik getuige van een ander schouwspel, helaas niet aan te klikken op internet. Het speelt zich af op het paadje naar Freia ter hoogte van de knuffelweide. Terwijl ik naar een stand van bushcraft (typisch zo’n Landleven item) sta te kijken, hoor ik achter me op bevelende toon ‘laat hem nou!’ In de bosschage zie ik een klein hondje aan de lijn van een vrouwelijke bezoekster krom gebogen in poephouding, terwijl dochterlief het hondje wil aaien. ‘Laat hem nou, anders doet ie het straks bij mamma in de tas!’ Als het blijkbaar niet wil vlotten en dochterlief opnieuw wil aaien roept moeder opnieuw: ‘laat hem nou, anders wordt straks mamma’s tas vies!’ En als het beestje dan geslaagd is zie ik dat moeder de gave in papier wikkelt en in haar rieten boodschappentas doet. Dan neemt ze het hondje op en laat het behoedzaam eveneens in de tas zakken. Met de tas aan de arm, het hondensnoetje er poezig bovenuit, begeeft ze zich verder de drukte in. Het is een snoezig gezicht, maar toch:  boven op de eigen drol…, zo’n hondenleven… ik weet het niet.
Naar huis fietsend dringt zich de gedachte op dat de tas van mevrouw bij thuiskomt misschien  toch niet helemaal droog zal blijken.



vrijdag 25 december 2015

Wonderlijke gebeurtenissen in het openluchtmuseum

Het gebeurde in die dagen toen Mark Rutte minister-president was van Nederland, Willem Bijleveld directeur van het Openluchtmuseum en Suzanne en Anneke landvoogdessen van de rondleiders, dat de engel Gabriel naar Beuningen gelegen een weinig boven de spreng, werd gezonden naar een meisje dat Maria heette.
Gabriel ging het boerderijtje binnen en zei: gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.
Maria schrok hevig, maar de engel sprak tot haar:
Vrees niet, God heeft je zijn gunst geschonken.
Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Staande in het schemerduister van het boerderijtje  vroeg Maria aan de engel:
Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?
De engel antwoordde:
De Heilige Geest zal op je neerdalen  enz. enz.
En zie, je bloedverwant Elisabeth in het waldhuisje uit het Friese Damwoude heeft in haar ouderdom ook een zoon ontvangen, ze is in haar zesde maand want bij God is niets onmogelijk.
Toen sprak Maria , staande op de keitjesvloer tussen de bedstee en de vuurplaats in alle ernst de gevleugelde woorden:
Zie, de dienstmaagd des heren, mij geschiedde naar uw woord
Enige dagen later spoedde zij zich over de stuwdam naar het armetierige waldhuisje . De vrouwen begroetten elkaar en even later klonk het sindsdien bekende lied:
Mijn ziel prijst groot de heer!
Machtigen haalt hij neer van hun tronen
en hij verheft de geringen.
enz. enz.

Maria bleef ongeveer drie maanden in het waldhuisje, toen ging ze terug naar Beuningen.
Een half jaar later verscheen er een besluit van de minister president om een volkstelling te houden.
Allen gingen op reis om zich aan te geven in de stad van herkomst
En omdat Jozef uit het huis en het geslacht van David was, vertrok hij uit Beuningen boven de spreng, naar het boerderijtje uit Vierhouten om zich te melden, met Maria, die hoogzwanger was.
Terwijl ze daar aankwamen brak de dag van haar bevalling aan.
Ze baarde haar eerstgeborene in een nabijgelegen schaapskooi uit Ederveen, wikkelde hem in doeken, en legde hem in een kribbe, want in de herbergen was geen plaats voor hen.
Niet ver daarvandaan, op de Grote Weide, brachten herders de nacht door in het veld.  Opeens verscheen er een engel bij hen, en – zoals Dick Bruna schreef - nóg een, en nóg een, en nóg een, tot heel de lucht vol was van engelen.
En ze zongen: Eer zij God in de hoge en op aarde vrede aan alle vluchtelingen en allen die hen opvangen!
En de herders op de Grote Weide zeiden tot elkaar: Kom laat ons naar Vierhouten gaan en zien wat er gebeurd is.
Ze vonden achter in de schaapskooi Maria en Jozef met het kindje dat in de kribbe lag.
Ze vertelden wat er was gebeurd. Maria glimlachte vermoeid en overwoog alles in haar hart.

Later kwamen er wijzen bij het administratiegebouw. Ze vroegen : waar is de nieuwgeboren koning, we hebben zijn ster gezien en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.
De directie stuurde hen naar Vierhouten met de woorden: stel een nauwkeurig onderzoek in en bericht ons zodra u het kind gevonden hebt. Dan zullen ook wij het eer bewijzen.
De wijzen gingen heen, en zie: de ster die ze in het oosten hadden gezien ging weer voor hen uit, totdat ze kwam boven de plaats waar het kind was, daar bleef ze staan.
Toen ze de schaapskooi waren binnengetreden, vonden ze het Kind met Maria , ze knielden neer en aanbaden het.
Ze boden geschenken aan: goud, wierook en een ipad ! 
Daarna, in een droom gewaarschuwd niet opnieuw naar het administratiegebouw te gaan, verlieten ze het Nom via een andere uitgang.
Toen ze waren heengegaan verscheen een engel in een droom aan Jozef en sprak: sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar de boerderij uit Beerta, en blijf daar tot ik het u zeggen zal.
Hij stond op, en vluchtte midden in de nacht, met Maria en het kind gezeten op een ezel, naar Beerta, gelegen in de uiterste hoek van het museum.

Jaren later toen de bevolking van het administratiegebouw had plaatsgemaakt voor vluchtelingen en ontheemden keerden naar Beuningen terug. Jezus groeide er op in het tot een timmerij verbouwde boerderijtje, gelegen een weinig boven de spreng.


dinsdag 8 december 2015



Dag lieve Tom…

Ik loop langs de Vinkenbaan terug naar het entreeplein van het Openluchtmuseum. Bij het naderen van de trambaan valt mij de kale grijze muur van de panden uit de Amsterdamse Jordaan op. Hoe authentiek de voorpanden er ook uitzien, die zijkant die is nu na drie jaren nog steeds veel te mooi, vind ik. Waar in Amsterdam vond je in de roerige jaren zeventig / tachtig, precies de jaren die wij hier in die panden presenteren, zo’n fraai gestukadoord maagdelijk grijs oppervlak? Daar horen toch graffiti op? Al die spuitgrage echte of vermeende artiesten lieten toch op elk stukje muur hun handtekening achter? Als vanzelf gaan mijn gedachten terug naar de Schelmseweg. Zolang ik rondleider ben fiets ik daar regelmatig onder het viaduct van de Apeldoornseweg door.  En tijdens de wintermaanden als het te donker is om over de Posbank te hollen, last het loopgroepje  waartoe ik behoor er graag een korte rustpauze in. Altijd als we er dan staan en altijd als ik er op de fiets passeer zag ik het staan:  Dag lieve Tom onthou het zingen  Ik vind het een pracht tekst, je reinste poëzie! Zes woorden slechts, maar zwanger van betekenis! Verdriet, weemoed, schuldgevoel, troost ? Vul maar in, je kunt er van alles bij denken. Zes woorden slechts maar een meer evocatieve tekst is bijna niet te formuleren. Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die het bijzonder karakter van dit zinnetje onderkende. Want nooit, nooit in al die jaren is er ook maar één graffiti spuiter geweest die deze tekst heeft beroerd. Dag lieve Tom onthou het zingen werd door iedereen gespaard. Er is heel wat gekalkt en gespoten op wanden van dat viaduct maar nooit over dit zinnetje. En terecht, want wat mij betreft is het van hetzelfde allure als de geheimzinnig poëtische  tekst hebban olla vogulas nestas hagunnan  etc. (alle vogels zijn al aan het nestelen)  die iemand in de middeleeuwen in de kantlijn van een Latijns getijdenboek krabbelde. Maar twee weken geleden was de gehele wand in plastic gepakt. Meteen bekroop mij een naar gevoel, het zou toch niet? Maar het zou wel degelijk, zo bleek vorige week toen ik weer voor een rondleiding naar het museum fietste: Dag lieve Tom onthou het zingen, is niet meer…Heeft iedereen jaren en jaren piëteitsvol zijn handen thuis gehouden, is er een wegwerker die nietsontziend zijn opdracht uitvoert… Het viaduct moet netjes opgeleverd worden, toch? Barbarisme vind ik het!
En ziedaar die maagdelijk, veel te schone muur van dat stukje Jordaan…
Zou daar, zou daar..?
Ja dat is het! Ik zie het voor me: Dag lieve Tom onthou het zingen  fraai in schuine letters  aangebracht op die muur van ons stukje Jordaan.
Ik zie de reacties van dat half miljoen trampassagiers dat elk jaar rakelings langs die wand scheert. Ik zie voor me hoe ze elkaar aanstoten en wijzen. En zeg nou zelf: authentieker Amsterdams kun je het toch niet krijgen?


zondag 22 november 2015


Scheefwonen

In het museum staat een vissershuisje van het eiland Marken. Het is eigenlijk een huisje van niks: opgetrokken van hout en helemaal scheefgezakt. Maar als het huis kon praten! Het heeft heel wat meegemaakt. In de 18e eeuw gebouwd op een terp want de Zuiderzee kon spoken, regelmatig stroomde het eiland over, en je wilt toch wel droge voeten houden! Nog in 1916 werden er 30 huizen door het water verzwolgen!
Naar ik heb begrepen  werden er twee rijtjes van drie huizen neergezet. Maar alleen dit huisje is in 1931 overgebracht naar Arnhem. Het heeft dus nooit zo allenig de wind getrotseerd als hier in ons museum. Aanvankelijk kreeg het hier de plaats waar nu ongeveer het cafetaria staat. Toen de operatie Market Garden mislukte en heel Arnhem moest evacueren heeft het een tijdje dienst gedaan als winkel, want ook het openluchtmuseum kreeg honderden evacuees. Later, in 1948 werd het huisje op de huidige plek gezet.
Als het eens kon praten… ergens na 1850 – dan staat het er al 100 jaar! – wonen Jan en Lijsbeth De Waard er, met hun kinderen Jan, Annetje en Sijmon, én oma, Bessie genoemd op Marken! Jan en Lijsbeth waren nl. bij hun ouders ingetrouwd. Zes personen dus in dat huisje! Stel je dat eens voor als je naar binnen gaat: Die mooie waterput om het regenwater op te vangen(geen WC !) dat gaat nog wel, maar die ene woonkamer/keuken/slaapkamer! Jazeker, er zijn twee vertrekken, maar die ene is toch vooral om te pronken. De typisch geel en blauwe kleuren ogen fris en vrolijk (heel contrasterend met de zwart geteerde buitenkant van het hout.) Dat geel/blauw is de kleur van Zweden. Niet toevallig, want ze visten veel in de Oostzee. En probeer eens te zien hoe op een koude, natte,  winderige dag Lijsbeth hier de boel warm probeert te houden, de luiers probeert te drogen, eten te bereiden, kortom het hele spul draaiend te houden. De netten aan de hanenbalken zullen ook niet veel frisheid aanbrengen, denk ik. De kist (het luik in het dak) zal wel vaak open staan om wat trek te houden. Het hele gezin slaapt in de bedstee in de achterwand. De kleinsten in de ruif boven het voeteneind van pa en ma, de grootsten in de ruimte onder de bedstee ,‘de koets’. Bessie  heeft dan een ruimte helemaal links achter naast de bedstee. De beste kamer, de pronkkamer, is natuurlijk niet voor dagelijks gebruik, die is om te pronken. Je wilt immers  niet onderdoen voor de rest op het eiland! Ze haalden uit Amsterdam spullen van over de hele wereld, en de vissers brachten ook zelf wel spullen mee uit Scandinavië. In ons huisje staan vooral heel veel spaandozen, die komen uit Duitsland, en zijn geschilderd door huisschilders uit Hindelopen die hier en daar rondtrokken. Het blauw in de kamer werd tweemaal per jaar fris geverfd met blauwsel door de kalk: witwassen noemden ze dat. Het zal ook wel nodig geweest zijn want deze huisjes werden niet voor niets rookhuisjes genoemd: er brandde in die ene woonkamer/keuken/slaapkamer altijd een open vuur!

Met een hoofd vol indrukken loop ik van het rokerige huisje naar de poffertjeskraam. Daar kijk ik nog eens om en zie hoe scheef het huisje staat. Vanmorgen las ik in de krant over nieuwe woorden in nieuwe Van Dale. ‘Scheefwonen’ is een van de nieuwe woorden, zo las ik. Kijkend naar het huisje denk ik: hoezo nieuw? Jan en Lijsbeth hebben nooit anders gedaan! Ze hebben altijd scheef gewoond! 

dinsdag 3 november 2015


Twintig jaar lang …
Van mijn eerste salaris heb ik ooit op aanraden van mijn vrouw een toerfiets gekocht. Jaren achtereen heb ik vele, vele toertochten gereden. Altijd 100 kilometer of meer. De elfstedenrijwieltocht was (en is) zelfs 230 kilometer! Heerlijk vond ik het. Mijn vrouw iets minder want 100 kilometer daar ben je toch gauw een halve zaterdag mee zoet. Maar goed, het was ooit haar idee om zo’n fiets met smalle bandjes aan te schaffen.
Tot ongeveer 20 jaar geleden mijn oudste dochter het in haar hoofd haalde om te gaan hardlopen. (En ik had toch echt wel tijdig ook voor haar een racefiets aangeschaft). Wat gebeurde laat zich raden. Ook ik schafte me een paar loopschoenen aan. Vroeger op de middelbare school was ik  altijd een goede loper geweest, herinnerde ik me. Dus waarom zou ik het niet nog eens proberen?
En zo kon het gebeuren dat ik me aan de hand van dochterlief weer op het loperspad begaf. En… ik heb de toerfiets zo goed als nooit meer aangeraakt! (Behalve dan die ene maand op de wegen naar Santiago, maar dat was op een andere fiets). Twintig jaar lang was ik twee- driemaal per week te vinden op de parcoursen van de Veluwezoom. Heerlijk is dat: een uurtje hardlopen, alleen of in gezelschap van de Bedriegertjeslopers. Zo noemen we ons, naar de kleine, volgens sommigen lullige fonteintjes in het park van kasteel Rosendael.
Twintig jaar lang, maar de laatste tijd geven mijn kuiten en knieën signalen dat ze mijn hoofd niet meer kunnen volgen. Probleempje, want ik kan ze moeilijk thuis laten, ze moeten wel mee. Na diep beraad heb ik met ze afgesproken ze voortaan iets minder te belasten, wel op voorwaarde dat ze dan nog jaren hun best blijven doen. En zo kon het gebeuren dat ik op een mooie herfstdag de fiets weer eens besteeg en een rondje Doesburg heb gefietst. Hoe dat was? Schitterend, in één woord schitterend. Het voelde heerlijk, mijn kuiten en knieën hebben me laten weten hieraan met graagte mee te werken en ik moet bekennen: je ziet nog eens wat. Dat wil zeggen: er was zware mist. Maar dat was juist zo bijzonder. Honderden ganzen hoorde ik boven me zonder dat ze zich lieten zien. Het was een gekakel van jewelste. Op de brug bij Doesburg kon ik het silhouet van een boot onderscheiden en bij Bingerden stonden de koeien tot hun uiers in de mist. De vuilverbranding bij Westervoort heb ik niet gezien, maar daar in de buurt waar de mist om mij een plezier te doen even optrok, stonden wel plotseling een bok en drie geiten trots op een plateautje in de wei. Wat wil een mens nog meer?
Wat ik nu maar zeggen wil: luister goed naar je benen en je blijft je verbazen!