zaterdag 24 augustus 2013

 Gastarbeiders ??

Tijdens een vrije rondleiding loop ik met een gezelschap over onze Westerstraat. Het is het stukje Amsterdam waar het openluchtmuseum een postkantoor, een Turkenpension en een Jordaanse kroeg heeft ondergebracht. Ik vertel Monique en Arthur, resp. 10 en 9 jaar (geen familie) dat je vroeger voor van alles en nog wat naar het postkantoor moest. Om te bellen (12 Hollandse guldens voor drie minuten spreken met Suriname of de Antillen!),  maar ook om een rekening te betalen, of om geld op te nemen. Want 30 jaar geleden kon je nog niet pinnen en ook geen geld uit de muur halen. Kunnen jullie je dat voorstellen? Nee, dat kunnen kinderen van 10 zich niet voorstellen: een wereld zonder pinnen…En geld storten, dat hebben ze helemaal nog nooit meegemaakt. Geld stort je toch niet, dat maak je toch even over? Ik vertel ze dat het postkantoor ook voor gastarbeiders heel belangrijk was om pakketten naar huis te sturen. Weten jullie wat gastarbeiders zijn?  Arthur weet het niet, Monique probeert: mensen uit Marokko en verre landen misschien? Ja, jij bent warm, zeg ik.

Na wat uitleg gaan we bij ze op bezoek in het pension. Ssstt, er slapen er nog een paar, zeg ik als we het schemerduister betreden. De kinderen kijken de ogen uit (ook de volwassenen trouwens).  Hierna zou de rondleiding eigenlijk moeten stoppen en zou het klassengesprek over gastarbeid gevoerd moeten worden. Maar helaas, the show must go on, het café wenkt ons. Monique en Arthur kijken verbaasd hoe een aantal volwassenen in de groep (n.b.: Rotterdammers!)  al dan niet dansend de Schlagers van Tante Leen en Johnny Jordaan meezingen. Zo kennen ze hen blijkbaar niet.
 
Onderweg naar de Vinkenbaan zien we in de verte op het land mensen druk in de weer. Papa, wat doen die mensen daar, vraagt Monique. Papa vertelt dat ze aan het hooien zijn. Dan krijg ik een ingeving: weet je wat dat is, hooien? Nee, dus. En hooi, weet je wat hooi is? En zo, al wandelend langs de wei leg ik uit dat gras wordt gemaaid en gedroogd, en dat het in de boerderij of op een grote berg achter de boerderij wordt bewaard voor in de winter, dan is het eten voor de koeien. (Hoezo: rondleiden? Stilletjes denk ik: het is basisonderwijs). 
Ook de Vinkenbaan is onbekend, voor jong én oud, maar daar dat is wel voorstelbaar. Immers, het vinkenslaan is al bijna 100 jaar verleden tijd. Monique vraagt wat ze met die gevangen vogeltjes deden.  Slachten?? Opeten?? Nog zie ik haar ongelovige blik vol afkeuring. Dezelfde blik die ik ook vaak zie als ik uitleg geef bij de hazen achter de kastdeur in Vierhouten.  En zo, wandelend langs de wei, praten we over vlees kopen in de supermarkt en het opeten van dieren. 

Na een klauterpartij in de Delftse molen krijgen we uitgelegd hoe kleine korreltjes van de tarwe worden fijngemalen tot meel. Iedereen weet nu dat brood van planten komt en – staande op de stelling – dat je maar beter geen klap van de wieken kunt krijgen!

In de papiermolen legt de molenaar van dienst nogal nadruk op de vieze, vaak stinkende vodden. Ze moesten eerst uitgezocht, gestampt en gewassen worden alvorens de vezels konden worden opgelost tot een waterige brei. Eenmaal buiten vraag ik aan de kinderen of ze weten wat vodden zijn. Nee dus…  
Zelf ontdekte ik onlangs , nota bene na vele tientallen rondleidingen, dat kinderen niet weten wat een mestvaalt is en ook het begrip mest niet kennen. (En ik maar praten over een waterput naast de mestvaalt!) Eigenlijk zo gek dus niet dat Monique niet wist wat hooi is.  

Misschien moeten we vrije rondleiding maar vervangen door een uurtje basiseducatie. En om het dan wat evenwichtiger te maken kunnen Monique en Arthur mij dan misschien iets uitleggen over iPods en iPads.

 

dinsdag 13 augustus 2013


 

‘Elk nadeel heb z’n voordeel’

Het is zover, eindelijk, eindelijk is het er dan toch van gekomen. Er leek geen einde te komen aan het lange wachten. Nog tijdens mijn wandeling in Spanje leek het er niet op.  Lente? Het leek wel herfst! En hoewel mijn rugzak redelijk aan de maat was, winterkleding zat er echt niet in! Het adagium voor elke wandelaar luidt immers: alles wat je thuis laat is meegenomen. Dat moge zo zijn, maar dit jaar miste ik node een trui. En zo kon het gebeuren dat deze atleet snipverkouden terugkwam uit het land van Sinterklaas en St Jacob.  (Wel net op tijd overigens, de treinramp heb ik thuis bekeken vanuit de fauteuil, maar dit terzijde)

En toen lonkte de Vierdaagse van Apeldoorn: vier dagen struinen door de bossen en wouden van de Veluwe, vier dagen over zand- en bospaden. Een herademing, zo bleek,  na de jaarlijkse drukte en gekte rondom Nijmegen. De eerste dag scheen zelfs de zon en ook de volgende dagen was het heerlijk weer. Goed voor lijf en geest. Dus ik stel voor dat de Bedriegertjeslopers volgend jaar met z’n allen vier dagen rond Apeldoorn lopen. Je hoeft er niet eens dure wandelschoenen voor te kopen want we gaan immers  het hele jaar bos, zand en hei te lijf op onze loopschoenen. Oké, vier dagen bos en zand is geen kattenpies, maar we zijn getraind, toch? 

En toen, en toen…zei Hans: we gaan die kant op, wijzend in de richting van Beekhuizen, en hij zette het op een lopen, de smiecht!  Jézus, dacht ik als geschoold theoloog, de bergen zijn nergens zo steil als daar! Maar tot mijn eigen verbazing pakte ik gemakkelijk de draad weer op. Achter begraafplaats Rhederoord waar het pad zo heerlijk meandert, slalomde ik zonder noemenswaardige achterstand op de groep Hans (onze snelste groep) in gestrekte draf naar beneden. Daar besloot ik me aan te sluiten bij het bestuur dat – zo was mij wel duidelijk – geen trek had in een rondje Koepel de Kaap. Met het bestuur ging het in rechte lijn terug richting Vijver van Beekhuizen.  Na drie weken wandelen in plaats van hollen een verstandige keus, zo leek het.  Net voor de vijver sloeg het noodlot toe: zonder reden ging mijn rechterkuit op slot … en bleef op slot … en blijft op slot…
Intussen heb ik een sportarts geraadpleegd, want, de Bedriegertjeslopers zijn natuurlijk nog niet van me af.

En zo is het zomer, dag na dag, hittegolf na hittegolf, maar dat been, die kuit, of die spier laat zich nog niet vermurwen. Als een houten Klaas trekkebeen ik door mijn tuin, bezoek eens extra de bibliotheek en zoek wielerkoersen op Eurosport.

Toch: elk nadeel heb z’n voordeel:
Het zitten meer dan beu, besluit ik ongedurig midden op een middag naar Het Depot te rijden naast het Arboretum in Wageningen. Ik weet dat daar nog steeds een expositie loopt van Gerhard Lentink. (Waarom zou een expositie trouwens lopen ?) Echt héél bijzonder: prachtige reusachtige houten beelden, je blijft kijken en kijken.  En omdat de toegang tot dit prachtige museum helemaal gratis is, neem ik tot besluit in het restaurant koffie met taart. Ze serveren daar niet zomaar taart, nee, taart van Kirsten, echt HEMELS lekker, ik kan er geen ander woord voor bedenken.
Ook doen, allemaal, naar Het Depot, de expositie loopt nog tot 22 november, en dan tot besluit die hemelse taart van Kirsten.

 

dinsdag 6 augustus 2013


Dromen in Deventer 

Onlangs was ik in Deventer. Een dagje uit met de rondleiders van het Nederlands Openluchtmuseum. Een gelukkige keus: boekenstad Deventer met haar rijke geschiedenis. Wel besteed aan een groep veelweters als de onze.

Vanwege een sportblessure was ik tijdelijk moeilijk ter been zodat ik maar een gedeelte van het program kon meemaken. Staande bij de Lebuïnuskerk hoorde ik  van een meneer van het Gilde  dat de crypte van deze oude kerk tot voor kort bij aandachtige bestudering te zien was in onze paspoorten. Tot voor kort, want sinds de seculariseringgolf ook de wetgevende macht op het Binnenhof heeft bereikt wordt elke religieuze afbeelding geweerd… Onze volksvertegenwoordigers (hier spreek ik en niet de meneer van het Gilde) plakken het adagium scheiding van kerk en staat op allerlei, zonder blijkbaar de historische betekenis van die belangrijke verworvenheid te kennen. Maar goed, we zitten met al die verlichte  paarsen en liberalen (al dan niet zesenzestig) en we zullen het er mee moeten doen.
Elk nadeel heb z’n voordeel, ook een blessure, ik heb dus op eigen houtje wat rondgekeken en locale geschiedenis zitten snuiven op een terrasje.
En nu weet ik waarom Deventer zich zo graag afficheert als boekenstad. Zeker, vanwege die overweldigende boekenmarkt op de eerste zondag in aug.  Maar waarom kwamen ze juist in dit provinciestadje op de idee van zo’n happening? Dat is omdat Deventer al een boekenstad was geworden door Geert Grote, een groot verzamelaar van geschriften, en de broeders van het gemene leven.  Hun heer Florenshuis was een belangrijk centrum van afschrijvers.  In de vijftiende eeuw stimuleerden de moderne devoten het lezen van religieuze teksten in de volkstaal. Zo rond 1473 was de firma Paffraet in Deventer de productiefste drukker in de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. In 1485 hadden ze al 81 boeken gedrukt met een gezamenlijke omvang van ongeveer 18000 (!) pagina’s.   De grote Hegius,  een belangrijke vertegenwoordiger van het opkomend humanisme , kwam in Deventer wonen en nam zijn intrek bij… de familie Paffraet!! De Latijnse School had een grote aantrekkingskracht, bijv. op Thomas  van Kempen, en op Geert Grote natuurlijk. De eminenste leerling in Deventer was  ene Erasmus, jawel onze latere Desiderius uit Rotterdam. Hij laafde aan de voeten van Hegius zijn intellectuele dorst. Het was hier in Deventer dat de moderne devotie en het humanisme samenkwamen. Ook grote geesten als Rudolf Agricola en Wessel Gansfort hoorden tot het netwerk van Hegius en Erasmus. Input genoeg voor de drukkers van Pafraet! Later, in de 16e eeuw nam Antwerpen de rol als centrum van boekdruk over van ons stadje.  Maar toch wordt dan in Deventer nog het een en ander gedrukt van een andere opkomende stroming in die gistende tijd: werken van de doperse stroming van eindtijdprofeet Melchior Hofman.

Wat een rijkdom: Lebuinus – Latijnse School - Geert Grote –Moderne Devotie –Alexander Hegius –Desiderius Erasmus…
En dan zijn we er nog niet: eeuwen later is er die andere lichtende ster die hier haar jeugd doorbracht, verhuisde naar Amsterdam en ons dagboeknotities en brieven naliet, getuigend van een welhaast onpeilbare spiritualiteit, ik bedoel: Hetty Hillesum. 

Eens reisde ik naar Parijs, mijn hoofd vol van het Louvre, het Centre Pompidou, de Notre Dame en Sacré-Coeur. Voor een van mijn metgezellen was dit allemaal van geen betekenis. Voor mij, zei hij, is Parijs: Roland Garros. Hij zou en hij moest de heilige grond van dat tennispark zien en betreden. Verdere verlangens of plannen had hij niet.
Ook voor die bezoekers heeft Deventer veel in de aanbieding: wie herinnert zich niet de wereldrecords van Fred Anton Maier, de triomfen van Ard en Keessie, de vele EK’s en WK’s verreden op die roemruchte maar helaas afgebroken kunstijsbaan aan de IJssel?  En wat te denken van de Adelaarshorst, al sinds 1920 (!) bespeeld door Go Ahead, bij herhaling kampioen van Nederland en juist dit seizoen terug op het hoogste niveau. Wie weet, misschien beleven we nog  eens Europees voetbal op het kunstgras van onze boekenstad.  Want zoals ik las op een deur in de binnenstad: wie niet gelooft in dromen is geen realist.
Waarvan akte!

 

dinsdag 30 juli 2013



Onze Gaay 

Oma en Elsje picknicken in het stoffelijk overblijfsel van wat ooit een  machtige eik moet zijn geweest. Bij insiders staat hij bekend als de Gaaymanseik.
Ik vertel oma en Els dat dit niet zomaar een boom is, nee, deze boom, zeg ik, is ouder dan het hele openluchtmuseum bij elkaar. Maar op Els maak ik geen indruk, het lekkers van oma en de brede takken van de boom zijn veel uitdagender. Ze loopt er over met beide armen breed. En geef haar eens ongelijk.  
Met pijn in het hart bedenk ik op zo’n moment hoe jammer het is dat onze Gaaij niet kan praten. Hij heeft zó veel meegemaakt : hij stond hier al als een grote meneer lang voordat generaal Hoefer en de zijnen in het prille begin van de vorige eeuw naar Scandinavië trokken om te zien hoe je een openluchtmuseum moest opzetten. (Waar zou hij overigens die studiereis hebben gedeclareerd, vraag ik als kind van deze tijd, maar dit terzijde )
Vanuit de hoogte heeft onze eik de opening van het museum gadegeslagen, én de grote  folkloristische feesten die er toen plaatsvonden.  Hij heeft een van de eerste aanwinsten, het  los hoes uit Vasse zien fikken en de tentoonstellingsgebouwen zien bouwen (en later ook zien fikken ) op de plek waar nu de entree is. Het hele evacuatiegebeuren na de slag om Arnhem heeft hij gadegeslagen, misschien is er onder zijn lommer wel gekookt. Hij heeft van dichtbij de schoten gehoord die een  eind maakten aan het leven van verzetsman Anton Zwiers, en de bommen en granaatinslagen die her en der verwoestend uithaalden naar bijv. de boerderij uit Beltrum en de standerdmolen. De Gaaij heeft het allemaal overleefd, de hele oorlog! Hij stond fier overeind bij het bezoek van  Juliana en Margaretha II van Denemarken, en sloeg in 1987 Beatrix gade die het museum kwam feliciteren amper drie maanden na de mislukte poging van Brinkman om het te sluiten. Hij heeft het Hollandrama en het Entreegebouw zien oprijzen. Alles sloeg hij op in zijn jaarringen.  

En toen .., toen nam de grote septemberstorm van 1990 hem plotseling te grazen.
 
En daar ligt hij nu, aan de voet van Kraantje Lek, een van de sprengen op de Waterberg. Het tekstboekje van de Groene route acht het niet onmogelijk dat hij is geplant ten tijde van Arnold Gaaymans, 200 jaar geleden de eigenaar van het landgoed De Waterberg. Maar onze wetenschappers blijven studeren, het interne Dagblad wist vorig jaar te melden dat hij waarschijnlijk toch wel wat jonger is. De Gaaij werd ge-de-monumentaliseerd… Niets is heilig in deze tijd, zelfs niet onze Gaaymanseik!
Misschien is er nog hoop. Er is wel meer ge-de-monumentaliseerd. De boerderij uit Zeijen bijvoorbeeld bleek  schromelijk onderschat, en ook delen van het los hoes Harreveld bleken veel, wel 200 jaar ouder dan gedacht.
Oma, met wie ik dit alles deel, suggereert de Duitse dendrologen die dit recentelijk openbaarden ook maar eens los te laten op het hout van onze Gaaij. ‘Maar dan moeten ze wel  opschieten, zegt ze, anders is het te laat.’

Ondertussen jongleert Elsje vrolijk verder over de brede stukken van het skelet. Oma ziet er geen gevaar in, misschien is ook zij wel wat ouder dan gedacht. 

dinsdag 16 juli 2013



Toeval 

Dochterlief had me overgehaald dit voorjaar samen een stukje richting Santiago de Compostela  te wandelen. Natuurlijk moest er wat getraind worden. Welnu: het Pelgrimspad leek ons alleen al vanwege de naam  daarvoor zeer geschikt. En zo vond ik mezelf op een zondagmiddag terug op een koud en winderig terras ergens tussen Valkenswaard en Aalst. Tot zover niets bijzonders.
Enkele dagen later zat ik me in de bibliotheek van het Openluchtmuseum te verdiepen in de achtergronden van het boerderijcafé uit Budel. Ik las een interessant artikel van Renate v.d.W. wetenschappelijk medewerker van het museum. Ze heeft zich uitvoerig verdiept in de cultuur van de Brabantse boerderijcafés. Als specimen voert ze een heel verhaal op over de gang van zaken in de Aalsterhut. De laatste waardin was ene Mie Peels, beroemd, berucht en bij leven al legendarisch. Haar hygiëne was rond 1900 blijkbaar al vermeldenswaard: ze dompelde haar ene (!) bierglas met haar duim erin in een vat en dook vervolgens met glas en al de kelder in om aldaar een biertje te tappen en het eenmaal weer bovengronds te serveren aan haar dorstige clientèle.
Al lezende begon mijn hart te bonzen, het zou toch niet??  Thuis dook ik in de routebeschrijving van het Pelgrimspad en jawel hoor: we hadden verpoosd in de herbouwde (want ooit na het overlijden van Mie ingestorte) Hut van Mie Pils, zoals de gelegenheid in de volksmond is blijven heten. Renate schrijft er uitvoerig over, de clientèle van Mie moet rauw volk zijn geweest, en haar echtgenoot, Jef, pleegde bij echtelijke onmin de stoel door het raam te gooien! Gelukkig wordt mij duidelijk dat boerderijcafé van mevr. Meeuwsen uit Budel dat in het museum staat, toch wel een heel ander type café is geweest. Trouwens haar goeikamer  was ten tijde van Mie Pils nog ingericht als boterfabriekje, wellicht een van de eerste in oostelijk Brabant. Het fabriekje boterde echter niet zo goed en dus werd na een paar jaar de goeikamer ingericht als café, maar dit alles terzijde. Wat mij bezighoudt is de vraag of het toeval is dat ik juist op dat terras daar onder Aalst pauze hield.
Ik weet het niet. Ooit heb ik een omschrijving van toeval gelezen die mij is bijgebleven. Toeval is, zo luidde het: een speld in een hooiberg zoeken en er met een boerenmeid weer uitrollen. Sindsdien geloof ik niet meer in toeval.  Toegegeven, een paar weken geleden bespeurde ik nog een keer enige hoop. Maar toen ik achter de boerderij uit Vierhouten dat armzalige hoopje stro zag, wist ik het zeker: hier rolt nooit een boerenmeid uit, en daar bij Varik en Hoogmade evenmin.

Ik voorzie in mijn leven geen toeval meer, helaas

 

 

woensdag 26 juni 2013


Baldewijn

Omar en Tinus lopen in de wei. Niemand van mijn gasten besteedt aandacht aan ze. Waarom zouden ze ook? Je reist niet naar het openluchtmuseum voor een paar paarden. Sinds enkele jaren lukt het mij echter niet om achteloos aan onze zwarte Omar voorbij te lopen. Omar vertegenwoordigt het Groninger paard, en het had maar een haar gescheeld of er was geen Omar geweest, en geen enkel ander Groninger paard. 
Dat weet ik omdat ik een paar jaar geleden een artikel heb gelezen over hengst Baldewijn de laatste hengst van het NWP fokprogramma en grondlegger voor het huidige stamboek "Groninger Paard". Hij leefde van 1966 tot 1983.
In het artikel stond dat het moeilijk was om Groninger merries bij Baldewijn te krijgen. Waarom? Zo vroeg ik me af. Aan zijn naam zal het niet gelegen hebben, Baldewijn, zeg nou zelf: voor zo’n naam staan de merries toch in rijen van drie? Lag het aan zijn figuur misschien? Zeker niet, op internet vond ik een foto van hem, hij ziet er prima uit. Echt een vent van je bent jong en je wilt wat, dus daar zal het ook niet aan gelegen hebben. Hoewel, ik me kan vergissen natuurlijk want bij paarden lijkt het me toch wel een heel gedoe. Maar misschien waren er gewoon geen Groninger merries meer te vinden, dat zou ook nog kunnen. En als ze er niet zijn, dan kun je ze ook niet bij Baldewijn brengen. Hoe dan ook: het (fokken van het) Groninger paard heeft toch een doorstart gemaakt. Aldus begreep ik uit het artikel.
Terug naar Omar en Tinus. Twee jaar geleden – ik zie het nog voor me – stonden ze aangespannen op het entreeplein. Een moeder en een dochter stappen in. Terwijl  de koetsier wacht op nog enkele passagiers, kan ik weer eens mijn mond niet houden en vertel ze dat het niet zomaar willekeurige viervoeters zijn, nee het zijn  bedreigde Nederlandse huisdierrassen. Ma lacht ongelovig : een paard is dat een huisdier?  Haha!  Ik doe mijn best om het begrip huisdier uit te leggen, maar ik maak geen indruk. Dochterlief voelt met moeder mee: in welke slaapkamer slaapt ie? Ze moeten allebei hard lachen. Een Israëlisch gezinnetje staat erbij en kijkt niet begrijpend naar het gelach. Ik voel me niet geroepen om zoveel dommigheid te vertalen in het Engels.
Mijn gasten hebben uiteraard geen weet van de herinneringen en associaties waarmee ik in het museum rondwandel. Ze zien de paarden niet of nauwelijks. Wel de imposante Stolpboerderij. Wat zit er achter die raampjes van dat gebouw?
Moet ik die dommigheid uitleggen..

maandag 13 mei 2013


Godswonder in Beltrum

Op een verloren maandagmiddag wandel ik naar een boerderijtje uit Beltrum.
Terwijl ik op de deel eens wat nauwkeurig naar de gebinten kijk zie ik plotseling dat ze gewoon op een paar veldkeien zijn gezet. Makkelijk spel dus voor de wervelstorm die hier in 1927 huis hield en maar liefst 53 boerderijen de vernieling in blies. Zonder die wervelstorm zouden de meeste bezoekers van het openluchtmuseum  nooit van Beltrum hebben gehoord, laat staan van Veldpape zoals het boerderijtje in deze uithoek bekend stond. Waarschijnlijk genoemd naar de echtgenote van boer Reinders die ooit in deze woestenij neerstreek. Het veldje van vrouw Paape dus.
In de woonkeuken hangen maar liefst twee kruisbeelden. Wel een beetje veel van het goede, maar goed, een kniesoor die daarop let. Ongetwijfeld zal er ook een wijwatersvaatje bij de bedsteden hebben gehangen, maar dat zal door de storm wel ten hemel zijn gevaren.  Heel typerend heeft onze afdeling presentatie de woonkeuken verder vol gehangen met maar liefst drie (!) afbeeldingen van Maria. De verering voor Maria groeide in de eerste helft van de vorige eeuw naar haar hoogtepunt, zo ook in dit door en door katholiek deel van de Achterhoek. En reken maar dat de laatste bewoonster, weduwe Reinders (inderdaad: weer een Reinders), veelvuldig haar zorgen aan Maria heeft toevertrouwd! Ze bleef zitten met 6 kinderen tussen 0 en 16 jaar!
Ik onderwerp het kruisbeeld boven de bedsteden aan een nader onderzoek. Het is er voorwaar niet zomaar een van twaalf uit een dozijn! Ik zie dat de voet aan drie zijden bewerkt is. Met enige moeite ontwaar ik een scene van de kruisweg en een afbeelding met de timmerwerktuigen! Onder de voetsteun van de gekruisigde is nog juist leesbaar : ecce homo. Om misverstand te voorkomen vertaal ik het maar eventjes: zie de(ware) mens, daarmee werd dus de gekruisigde Christus bedoeld.
Maar dan…boven de deur naar de deel:  Een grote prent met als onderschrift De Heere predikt op den berg. Ik geloof mijn ogen niet: De Heere !! Protestantser kan toch niet? Dit heeft echt niet in een katholiek gezin aan de muur gehangen! In Beltrum niet, en elders niet. De Heere die is zo weggelopen uit de Statenvertaling en neemt u van mij aan:  die kwam er in een roomsch gezin niet in!! En roomsch, dat waren ze anno 1920 in Beltrum en elders! De professionals van de afdeling presentatie hebben kennelijk een andere opvoeding gehad!  

Drie basisschoolleerlingen komen de kamer binnenvallen, met een vragenlijst. ‘Doen jullie een speurtocht?’
‘Ja, deze mensen waren erg gelovig, we moeten iets noteren wat dit duidelijk maakt. Maar we zien het niet’. De laatste toevoeging is kompleet overbodig, hun lichaamstaal spreekt boekdelen.  Een ouder kind, typisch zo’n meisje van dertien, zegt dat ze mee moet omdat de jongens de plattegrond nog niet kunnen lezen.  Plots draait ze op haar hakken een pirouette zoals alleen een meisje van dertien dat kan, en terwijl haar arm naar een van de Mariabeelden zwaait zegt ze: ‘dat boeddhabeeldje daar’, en in één vloeiende beweging stapt ze naar buiten.
Even sta ik met open mond: een Godswonder in Beltrum!!  Maria geworden tot Boeddha!!  Nou is Maria wel iets gewend natuurlijk, ze zag zelf water in wijn veranderen, maar dit is toch een klasse apart! Boeddha in Beltrum… zover is het dus gekomen. Het religieus cultureel erfgoed van tweeduizend jaar is in één / hooguit anderhalve generatie totaal onbekend geworden. Weduwe Reinders zou  zich in haar graf omdraaien, maar goed dat ze niet weet dat haar boeltje is overgebracht naar het openluchtmuseum. En als ze het daarboven wel ziet, zegt u?
Ach, een wijze vrouw als zij…