vrijdag 25 december 2015

Wonderlijke gebeurtenissen in het openluchtmuseum

Het gebeurde in die dagen toen Mark Rutte minister-president was van Nederland, Willem Bijleveld directeur van het Openluchtmuseum en Suzanne en Anneke landvoogdessen van de rondleiders, dat de engel Gabriel naar Beuningen gelegen een weinig boven de spreng, werd gezonden naar een meisje dat Maria heette.
Gabriel ging het boerderijtje binnen en zei: gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je.
Maria schrok hevig, maar de engel sprak tot haar:
Vrees niet, God heeft je zijn gunst geschonken.
Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Staande in het schemerduister van het boerderijtje  vroeg Maria aan de engel:
Hoe zal dit geschieden daar ik geen man beken?
De engel antwoordde:
De Heilige Geest zal op je neerdalen  enz. enz.
En zie, je bloedverwant Elisabeth in het waldhuisje uit het Friese Damwoude heeft in haar ouderdom ook een zoon ontvangen, ze is in haar zesde maand want bij God is niets onmogelijk.
Toen sprak Maria , staande op de keitjesvloer tussen de bedstee en de vuurplaats in alle ernst de gevleugelde woorden:
Zie, de dienstmaagd des heren, mij geschiedde naar uw woord
Enige dagen later spoedde zij zich over de stuwdam naar het armetierige waldhuisje . De vrouwen begroetten elkaar en even later klonk het sindsdien bekende lied:
Mijn ziel prijst groot de heer!
Machtigen haalt hij neer van hun tronen
en hij verheft de geringen.
enz. enz.

Maria bleef ongeveer drie maanden in het waldhuisje, toen ging ze terug naar Beuningen.
Een half jaar later verscheen er een besluit van de minister president om een volkstelling te houden.
Allen gingen op reis om zich aan te geven in de stad van herkomst
En omdat Jozef uit het huis en het geslacht van David was, vertrok hij uit Beuningen boven de spreng, naar het boerderijtje uit Vierhouten om zich te melden, met Maria, die hoogzwanger was.
Terwijl ze daar aankwamen brak de dag van haar bevalling aan.
Ze baarde haar eerstgeborene in een nabijgelegen schaapskooi uit Ederveen, wikkelde hem in doeken, en legde hem in een kribbe, want in de herbergen was geen plaats voor hen.
Niet ver daarvandaan, op de Grote Weide, brachten herders de nacht door in het veld.  Opeens verscheen er een engel bij hen, en – zoals Dick Bruna schreef - nóg een, en nóg een, en nóg een, tot heel de lucht vol was van engelen.
En ze zongen: Eer zij God in de hoge en op aarde vrede aan alle vluchtelingen en allen die hen opvangen!
En de herders op de Grote Weide zeiden tot elkaar: Kom laat ons naar Vierhouten gaan en zien wat er gebeurd is.
Ze vonden achter in de schaapskooi Maria en Jozef met het kindje dat in de kribbe lag.
Ze vertelden wat er was gebeurd. Maria glimlachte vermoeid en overwoog alles in haar hart.

Later kwamen er wijzen bij het administratiegebouw. Ze vroegen : waar is de nieuwgeboren koning, we hebben zijn ster gezien en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.
De directie stuurde hen naar Vierhouten met de woorden: stel een nauwkeurig onderzoek in en bericht ons zodra u het kind gevonden hebt. Dan zullen ook wij het eer bewijzen.
De wijzen gingen heen, en zie: de ster die ze in het oosten hadden gezien ging weer voor hen uit, totdat ze kwam boven de plaats waar het kind was, daar bleef ze staan.
Toen ze de schaapskooi waren binnengetreden, vonden ze het Kind met Maria , ze knielden neer en aanbaden het.
Ze boden geschenken aan: goud, wierook en een ipad ! 
Daarna, in een droom gewaarschuwd niet opnieuw naar het administratiegebouw te gaan, verlieten ze het Nom via een andere uitgang.
Toen ze waren heengegaan verscheen een engel in een droom aan Jozef en sprak: sta op, neem het kind en zijn moeder en vlucht naar de boerderij uit Beerta, en blijf daar tot ik het u zeggen zal.
Hij stond op, en vluchtte midden in de nacht, met Maria en het kind gezeten op een ezel, naar Beerta, gelegen in de uiterste hoek van het museum.

Jaren later toen de bevolking van het administratiegebouw had plaatsgemaakt voor vluchtelingen en ontheemden keerden naar Beuningen terug. Jezus groeide er op in het tot een timmerij verbouwde boerderijtje, gelegen een weinig boven de spreng.


dinsdag 8 december 2015



Dag lieve Tom…

Ik loop langs de Vinkenbaan terug naar het entreeplein van het Openluchtmuseum. Bij het naderen van de trambaan valt mij de kale grijze muur van de panden uit de Amsterdamse Jordaan op. Hoe authentiek de voorpanden er ook uitzien, die zijkant die is nu na drie jaren nog steeds veel te mooi, vind ik. Waar in Amsterdam vond je in de roerige jaren zeventig / tachtig, precies de jaren die wij hier in die panden presenteren, zo’n fraai gestukadoord maagdelijk grijs oppervlak? Daar horen toch graffiti op? Al die spuitgrage echte of vermeende artiesten lieten toch op elk stukje muur hun handtekening achter? Als vanzelf gaan mijn gedachten terug naar de Schelmseweg. Zolang ik rondleider ben fiets ik daar regelmatig onder het viaduct van de Apeldoornseweg door.  En tijdens de wintermaanden als het te donker is om over de Posbank te hollen, last het loopgroepje  waartoe ik behoor er graag een korte rustpauze in. Altijd als we er dan staan en altijd als ik er op de fiets passeer zag ik het staan:  Dag lieve Tom onthou het zingen  Ik vind het een pracht tekst, je reinste poëzie! Zes woorden slechts, maar zwanger van betekenis! Verdriet, weemoed, schuldgevoel, troost ? Vul maar in, je kunt er van alles bij denken. Zes woorden slechts maar een meer evocatieve tekst is bijna niet te formuleren. Ik weet zeker dat ik niet de enige ben die het bijzonder karakter van dit zinnetje onderkende. Want nooit, nooit in al die jaren is er ook maar één graffiti spuiter geweest die deze tekst heeft beroerd. Dag lieve Tom onthou het zingen werd door iedereen gespaard. Er is heel wat gekalkt en gespoten op wanden van dat viaduct maar nooit over dit zinnetje. En terecht, want wat mij betreft is het van hetzelfde allure als de geheimzinnig poëtische  tekst hebban olla vogulas nestas hagunnan  etc. (alle vogels zijn al aan het nestelen)  die iemand in de middeleeuwen in de kantlijn van een Latijns getijdenboek krabbelde. Maar twee weken geleden was de gehele wand in plastic gepakt. Meteen bekroop mij een naar gevoel, het zou toch niet? Maar het zou wel degelijk, zo bleek vorige week toen ik weer voor een rondleiding naar het museum fietste: Dag lieve Tom onthou het zingen, is niet meer…Heeft iedereen jaren en jaren piëteitsvol zijn handen thuis gehouden, is er een wegwerker die nietsontziend zijn opdracht uitvoert… Het viaduct moet netjes opgeleverd worden, toch? Barbarisme vind ik het!
En ziedaar die maagdelijk, veel te schone muur van dat stukje Jordaan…
Zou daar, zou daar..?
Ja dat is het! Ik zie het voor me: Dag lieve Tom onthou het zingen  fraai in schuine letters  aangebracht op die muur van ons stukje Jordaan.
Ik zie de reacties van dat half miljoen trampassagiers dat elk jaar rakelings langs die wand scheert. Ik zie voor me hoe ze elkaar aanstoten en wijzen. En zeg nou zelf: authentieker Amsterdams kun je het toch niet krijgen?


zondag 22 november 2015


Scheefwonen

In het museum staat een vissershuisje van het eiland Marken. Het is eigenlijk een huisje van niks: opgetrokken van hout en helemaal scheefgezakt. Maar als het huis kon praten! Het heeft heel wat meegemaakt. In de 18e eeuw gebouwd op een terp want de Zuiderzee kon spoken, regelmatig stroomde het eiland over, en je wilt toch wel droge voeten houden! Nog in 1916 werden er 30 huizen door het water verzwolgen!
Naar ik heb begrepen  werden er twee rijtjes van drie huizen neergezet. Maar alleen dit huisje is in 1931 overgebracht naar Arnhem. Het heeft dus nooit zo allenig de wind getrotseerd als hier in ons museum. Aanvankelijk kreeg het hier de plaats waar nu ongeveer het cafetaria staat. Toen de operatie Market Garden mislukte en heel Arnhem moest evacueren heeft het een tijdje dienst gedaan als winkel, want ook het openluchtmuseum kreeg honderden evacuees. Later, in 1948 werd het huisje op de huidige plek gezet.
Als het eens kon praten… ergens na 1850 – dan staat het er al 100 jaar! – wonen Jan en Lijsbeth De Waard er, met hun kinderen Jan, Annetje en Sijmon, én oma, Bessie genoemd op Marken! Jan en Lijsbeth waren nl. bij hun ouders ingetrouwd. Zes personen dus in dat huisje! Stel je dat eens voor als je naar binnen gaat: Die mooie waterput om het regenwater op te vangen(geen WC !) dat gaat nog wel, maar die ene woonkamer/keuken/slaapkamer! Jazeker, er zijn twee vertrekken, maar die ene is toch vooral om te pronken. De typisch geel en blauwe kleuren ogen fris en vrolijk (heel contrasterend met de zwart geteerde buitenkant van het hout.) Dat geel/blauw is de kleur van Zweden. Niet toevallig, want ze visten veel in de Oostzee. En probeer eens te zien hoe op een koude, natte,  winderige dag Lijsbeth hier de boel warm probeert te houden, de luiers probeert te drogen, eten te bereiden, kortom het hele spul draaiend te houden. De netten aan de hanenbalken zullen ook niet veel frisheid aanbrengen, denk ik. De kist (het luik in het dak) zal wel vaak open staan om wat trek te houden. Het hele gezin slaapt in de bedstee in de achterwand. De kleinsten in de ruif boven het voeteneind van pa en ma, de grootsten in de ruimte onder de bedstee ,‘de koets’. Bessie  heeft dan een ruimte helemaal links achter naast de bedstee. De beste kamer, de pronkkamer, is natuurlijk niet voor dagelijks gebruik, die is om te pronken. Je wilt immers  niet onderdoen voor de rest op het eiland! Ze haalden uit Amsterdam spullen van over de hele wereld, en de vissers brachten ook zelf wel spullen mee uit Scandinavië. In ons huisje staan vooral heel veel spaandozen, die komen uit Duitsland, en zijn geschilderd door huisschilders uit Hindelopen die hier en daar rondtrokken. Het blauw in de kamer werd tweemaal per jaar fris geverfd met blauwsel door de kalk: witwassen noemden ze dat. Het zal ook wel nodig geweest zijn want deze huisjes werden niet voor niets rookhuisjes genoemd: er brandde in die ene woonkamer/keuken/slaapkamer altijd een open vuur!

Met een hoofd vol indrukken loop ik van het rokerige huisje naar de poffertjeskraam. Daar kijk ik nog eens om en zie hoe scheef het huisje staat. Vanmorgen las ik in de krant over nieuwe woorden in nieuwe Van Dale. ‘Scheefwonen’ is een van de nieuwe woorden, zo las ik. Kijkend naar het huisje denk ik: hoezo nieuw? Jan en Lijsbeth hebben nooit anders gedaan! Ze hebben altijd scheef gewoond! 

dinsdag 3 november 2015


Twintig jaar lang …
Van mijn eerste salaris heb ik ooit op aanraden van mijn vrouw een toerfiets gekocht. Jaren achtereen heb ik vele, vele toertochten gereden. Altijd 100 kilometer of meer. De elfstedenrijwieltocht was (en is) zelfs 230 kilometer! Heerlijk vond ik het. Mijn vrouw iets minder want 100 kilometer daar ben je toch gauw een halve zaterdag mee zoet. Maar goed, het was ooit haar idee om zo’n fiets met smalle bandjes aan te schaffen.
Tot ongeveer 20 jaar geleden mijn oudste dochter het in haar hoofd haalde om te gaan hardlopen. (En ik had toch echt wel tijdig ook voor haar een racefiets aangeschaft). Wat gebeurde laat zich raden. Ook ik schafte me een paar loopschoenen aan. Vroeger op de middelbare school was ik  altijd een goede loper geweest, herinnerde ik me. Dus waarom zou ik het niet nog eens proberen?
En zo kon het gebeuren dat ik me aan de hand van dochterlief weer op het loperspad begaf. En… ik heb de toerfiets zo goed als nooit meer aangeraakt! (Behalve dan die ene maand op de wegen naar Santiago, maar dat was op een andere fiets). Twintig jaar lang was ik twee- driemaal per week te vinden op de parcoursen van de Veluwezoom. Heerlijk is dat: een uurtje hardlopen, alleen of in gezelschap van de Bedriegertjeslopers. Zo noemen we ons, naar de kleine, volgens sommigen lullige fonteintjes in het park van kasteel Rosendael.
Twintig jaar lang, maar de laatste tijd geven mijn kuiten en knieën signalen dat ze mijn hoofd niet meer kunnen volgen. Probleempje, want ik kan ze moeilijk thuis laten, ze moeten wel mee. Na diep beraad heb ik met ze afgesproken ze voortaan iets minder te belasten, wel op voorwaarde dat ze dan nog jaren hun best blijven doen. En zo kon het gebeuren dat ik op een mooie herfstdag de fiets weer eens besteeg en een rondje Doesburg heb gefietst. Hoe dat was? Schitterend, in één woord schitterend. Het voelde heerlijk, mijn kuiten en knieën hebben me laten weten hieraan met graagte mee te werken en ik moet bekennen: je ziet nog eens wat. Dat wil zeggen: er was zware mist. Maar dat was juist zo bijzonder. Honderden ganzen hoorde ik boven me zonder dat ze zich lieten zien. Het was een gekakel van jewelste. Op de brug bij Doesburg kon ik het silhouet van een boot onderscheiden en bij Bingerden stonden de koeien tot hun uiers in de mist. De vuilverbranding bij Westervoort heb ik niet gezien, maar daar in de buurt waar de mist om mij een plezier te doen even optrok, stonden wel plotseling een bok en drie geiten trots op een plateautje in de wei. Wat wil een mens nog meer?
Wat ik nu maar zeggen wil: luister goed naar je benen en je blijft je verbazen!


woensdag 21 oktober 2015


Over concentratiekampen en een nieuw woord.

Onlangs heb ik Gedänkstette Esterwegen bezocht. Het is een informatie en herdenkingscentrum  voor de concentratiekampen in het Emsland. (Het gebied langs de grens met Groningen en Drenthe.) Toen Hitler in 1933 aan de macht kwam begon hij meteen tegenstanders van het Nationaal Socialisme gevangen te zetten. Tot de eerste kampen behoorden er enkele in het Emsland. In totaal kwamen er vijftien (15 !) concentratiekampen op slechts enkele kilometers van de Nederlandse grens. (Het kamp Esterwegen ligt het verst van de grens) De gevangenen moesten voornamelijk dwangarbeid verrichten in het veen. Soms maar een paar honderd meter van de grens vandaan, maar wie vluchtte werd ter plekke neergeschoten. En wie erin slaagde Nederland te bereiken werd teruggestuurd…! Van 1933 tot 1945 hebben er ongeveer 200.000 mensen vast gezeten!  Waaronder 100.000 Russische krijgsgevangenen die als honden werden behandeld. Tussen de 14.000 en 26.000 Russen zijn er gestorven, doodgehongerd, mishandeld, ziek… Naamloos want slechts ‘Untermenschen’! (En nog 10.000 anderen zijn er omgekomen)
Waarom zijn deze Emslandkampen bijna volledig onbekend? Waarom kennen we wel Dachau, Neuengamme, Buchenwald etc., maar niet deze kampen net over de grens? Waarom heb ik hier op school nooit een woord over gehoord? Het moet toch bekend geweest zijn in de grensstreken van Drenthe en Groningen? Collectief afwenden en stilzwijgen…Terwijl ik in het herdenkingscentrum rondliep bedienden zich de demonstranten van Pegida in Dresden ( tegen de opvang van vluchtelingen) opnieuw van symbolen van het Nationaal Socialisme…

Om toch maar met iets luchtigers te eindigen:  de nieuwe Van Dale is uit! Allerlei nieuwe woorden staan erin. Maar het nieuwste woord staat er niet in. Dat is – met dank aan Volkswagen – sjoemelsoftware. Het is zeker een blijvertje want nog veel meer concerns ‘besjoemelen’ de boel. Wen er dus maar aan.
Leuk spelletje: probeer eens tienmaal luid en snel achter elkaar sjoemelsoftware sjoemelsoftware  sjoemelsoft   je weet niet wat je hoort!


zaterdag 3 oktober 2015


Dan toch maar liever de mannen in huis

Ik loop in het Openluchtmuseum door de Gelderse buurt terug naar de entree. Ter hoogte van het boerderijtje uit Vierhouten nadert een drietal dames van 35 – 40 lentes naar ik schat. Twee snellen naar voren en stellen zich op voor de voorgevel van de boerderij. De derde maakt een foto van het vrolijke duo. Ik blijf even staan en geniet van het tafereel: een plaatje om te zien. Dan - ik had het kunnen vermoeden – vraagt dame drie me of ik een foto van alle drie samen wil maken. Natuurlijk wil ik dat. De dames stellen zich op naast elkaar onder de druivenrank. Ze hebben de grootste lol samen en de zon beschijnt het tafereel feeëriek. Als ik ze op de gevoelige plaat heb vereeuwigd en denk aan afscheid nemen verrast dame drie me nogmaals: ook nog een foto op de rand van de waterput! Ik weet niet of het een vraag of gebod is, maar ik voldoe er maar al te graag aan. De dames schikken en schuiven zich samen op de rand van de waterput. De hoofden ietwat in de schouders getrokken vanwege de balk boven de put. Een pracht schouwspel met het boerderijtje op de achtergrond. En ik mag de fotograaf zijn, wat kan het leven toch mooi zijn! Tuurlijk maak ik niet een maar twee foto’s en dan bekijken we het resultaat. Om het moment even te rekken vraag ik belangstellend of ze ‘iets hebben’ met het boerderijtje. Ja, zegt een van de dames , ons droomhuis.
Hoe zegt u?
Ons droomhuis, maar onze mannen willen niet!
Tja, zeg ik, dat is een probleem waar ik liever buiten blijf. (Als museumedewerker hecht ik eraan enig afstand te bewaren in dit soort gesprekken.) Maar gelukkig rekt dame drie wederom even ons samenzijn. Ze vraagt me zonder omwegen: kunnen we hier misschien logeren als we onze mannen zat zijn?

Tja, zeg ik, ik wil niet…maar u kunt eens informeren. En dan vertel ik over ons Waldhuisje uit Damwoude. Dat daar eens een familie met een aantal kinderen een week lang heeft gelogeerd. Misschien zou u dat ook mogen, maar dan wel in de omstandigheden van toen, dus zonder water in huis, en zonder elektra. (Damwoude had dat laatste wel, maar Vierhouten volgens mij niet). Ik vertel ze dat ik eens een brief heb gelezen van een kleindochter van de laatste bewoners aan het museum, waarin ze de weekdagen van haar oma beschrijft: naaien, breien, kousen stoppen, het vee verzorgen, wassen (alles met de hand !!) koken, boenen, te voet met een mand eieren naar de markt in Harderwijk (15 kilometer heen en terug) en – zo voeg ik toe -  uiteraard half rechtop dicht tegen elkaar slapen in de bedstee. Daar schrikken ze toch wel een beetje van. Ze kijken elkaar eens aan en besluiten : ‘dan toch maar liever de mannen in huis’.

zaterdag 29 augustus 2015


                                            Een boeket in de boom en een mes in het zand

Na het wandelen van de Vierdaagse heb ik begin augustus het lopen weer opgepakt. Er meldt zich nog maar een klein groepje, maar het weerzien is allerhartelijkst. Ook Irma is er weer, lang niet gezien, maar ze loopt als een kievit onverdroten het Kerkepad omhoog. En dat is geen kattenpis kan ik u verzekeren. Dat Kerkepad is een lang aanhoudende klim diagonaal over het Rozendaalse Veld. En altijd, altijd als wij er lopen is het zand rul!  Inwendig zuchtend en steunend tracht ik haar bij te houden. Dat was nooit een probleem, maar nu... Is Irma zo bijzonder getraind of heb ik zoveel ingeleverd? Dat laatste is uitgesloten natuurlijk, anderen worden ouder, ik niet, zo is dat toch?
Hoe dan ook: boven aan de Koningsweg staan we uit te hijgen en verzamelen we ons. Vaste prik, niets bijzonders. Maar dan, plotseling wijst W. op een mes dat daar in het zand ligt. Een mes! Zomaar in het zand op de Koningsweg! Dat is vreemd, wat doet dat aardappelschilmes daar? Dat verwacht je eventueel iets terug bij het bankje, maar hier?  Bloedsporen of afdrukken van een worsteling zijn niet te zien in het rulle zand. Het blijft ons bevreemden. Iemand suggereert de politie te bellen, maar die doet niets natuurlijk, de politie voert actie. Ze begeleidt geen voetbalwedstrijden en dreigt zelfs de Tour de France in het honderd te laten lopen. Het valt wel op dat bij ons geanimeerd gesprek W (ik noem zijn naam hier niet) terzijde blijft staan en zich niet in het gesprek mengt. Dat is verdacht natuurlijk… Maar goed, we besluiten het mes het mes te laten.
Volgt het onvermijdelijk gesprek over het vervolg van het parcours. Uiteraard ga ik vandaag met de langzame groep mee die vanaf hier een korte route kiest. Maar als het eind van die korte route bijna in zicht komt vraagt Bas me : zou jij het leuk vinden als we nog een lusje zouden lopen? Enig medelijden met wie net terugkomt van vakantie is hem ten enen male vreemd. Er moet gelopen worden, anders moet je niet komen. Dat is nu eenmaal de heersende moraal in onze groep. Ik zeg heel empathisch : nou of ik het leuk vind weet ik niet maar misschien bedoel je te zeggen dat jij het wel heel leuk zou vinden om nog een extra lusje te doen?
Om kort te gaan: het lusje blijkt nog een hele lus te zijn. Als we terug op de parkeerplaats komen staat de groep van de langere route al uitgebreid te genieten van de koffie van Wilma.
Iets verder op de parkeerplaats staat iemand ‘boerenijs’ te verkopen. Teruglopend naar huis bedenk ik: boerenijs, dat bestaat helemaal niet, dat is pure nonsens, er is geen boer die ijs maakt. Er zijn blijkbaar mensen die je open en bloot knollen voor citroenen kunt verkopen, maar ik laat me die niet aansmeren.
Het kan echter nog gekker. Een week later lopen we in de buurt van de brandtoren. En wat zien we daar op een vijftiental meters bezijden het zandpad op ooghoogte in een vertakking van een boomstam gestoken? Jawel: een prachtig boeket bloemen. Zo te zien nog een vers boeket, met zorg achtergelaten in deze boom…   Onwillekeurig denken we terug aan het aardappelschilmesje van vorige week…  Zou er een verband bestaan..? Of heeft iemand hier tevergeefs een huwelijksaanzoek gedaan…?   Of…al mijmerend draven we terug.
Wat ik nu maar zeggen wil: een rondje met de Bedriegertjeslopers is nooit saai.